Spookopera van Britten is toch niet echt griezelig

Benjamin Britten hield van mysterie in zijn opera's. Was het werkelijk de titelheld die twee knaapjes om zeep hielp in Peter Grimes? Waarheen verdween de eens brave, plots losbandige Albert Herring? Wat te denken van de verloren zoon in Curlew River? En welke duivelse krachten bezielen de ogenschijnlijk engelachtige kindertjes Flora en Miles in The Turn of the Screw?

In Nederland is de laatste jaren geen gebrek aan aandacht voor Brittens muziektheatraal oeuvre. Peter Grimes ging afgelopen seizoen bij De Nederlandse Opera, Curlew River was vorig seizoen te bewonderen in Zeeland, Opera Zuid presenteerde eerder dit jaar Death in Venice en de Nationale Reisopera toert deze maand door het land met een sfeervolle productie van de avondvullende griezelopera The Turn of the Screw.

The Turn of the Screw (1954), naar de gelijknamige novelle van Henry James, is een toegankelijke, maar in geen enkel opzicht een gemakkelijke opera. Aan de oppervlakte ligt het verhaal van een gouvernante die twee kinderen probeert te redden van boze geesten. Maar onder die onschuldige sprookjeslaag broeit het en schroeit het van ontluikende versus onderdrukte seksualiteit. Het is nog maar de vraag wie nu wie in de ban heeft; wie goed is, en wie slecht.

De regie van Stephen Langridge evoceert Brittens onderhuidse spanningsvelden in sfeervolle beelden. De zestien scènes spelen zich af in een schemerig decor waar geesten opduiken achter spiegels en verborgen deuren. Kijk zelf maar: niets is wat het lijkt, lijkt Langridges visie. Daarmee raakt hij nauw aan de kern van The Turn of the Screw, maar de bewust vage benadering draagt ook het gevaar in zich dat de toeschouwer over Brittens gelaagdheden heen ziet. Stoute kinderen moeten worden gered van het Boze, maar het knaapje sterft uiteindelijk toch - net als in Goethes Erlkönig. Hoezo behelst The Turn of The Screw dan toch meer dan spookromantiek in een twintigste-eeuws muzikaal jasje?

Dat The Turn of the Screw visueel zelden echt eng wordt, heeft ook met de personenregie te maken. De geest van Miss Jessel – een vocaal sensuele, krachtige rol van Janny Zomer – oogt zeker spookachtig, maar de verleidelijk zingende tenor Gordon Gietz gedraagt zich als spook Peter Quint veel te beschaafd en terughoudend om griezelig te zijn. En al voeren de kinderen Miles en Flora al vanaf de eerste scène zichtbaar iets in hun schild, ook bij hen zorgt vooral de muziek voor de kippenvelmomenten.

Instrumentaal laat deze productie van The Turn of the Screw niets te wensen over. Onder leiding van Reinbert de Leeuw draait het Schönberg Ensemble de spanningsduimschroef scène voor scène steviger aan en wordt vooral in de instrumentale variaties alle recht gedaan aan de gelaagdheid – wrange kinderwijsjes, thematische verknooptheid – van Brittens muziek. Ook de solistische bijdragen zijn stuk voor stuk sterk en opvallend goed getypecast. Alison Rae Jones is een overtuigend lieve en rechtschapen gouvernante, wier verhouding tot de oude Mrs. Grose (Carol Rowlands) niet gespeend is van een erotische ondertoon.

De jonge Nederlandse sopraan Lara Diamand verleent met haar jeugdig strakke timbre reliëf aan de rol van meisje Flora, en betoont zich ook acterend een zangeres om in de toekomst oplettend te volgen. Charmant en parmantig is de elfjarige Britse jongenssopraan Zico Shaker. Hij wisselt de rol van het jongetje Miles af met zijn koorgenoot George Ransley, en gaf ondanks hoorbare zenuwen indrukwekkend geloofwaardig en met fraaie momenten gestalte aan zijn loodzware, zelfs volwassen rol.

Voorstelling: The Turn of the Screw van B. Britten. Gezien: 2/3 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 24/3. Info: www.reisopera.nl of (053) 487 85 00. Radio 4: 23/3.