Rugby tussen Rambo en Rimbaud

De Franse rugbyploeg is al vijftien jaar toonaangevend in Europa. Zaterdag werd voor het Zeslandentoernooi aartsrivaal Engeland verslagen. `Men speelt geen rugby, men is rugby. Helemaal. Rugby is het leven.'

Het Zeslandenkampioenschap bereikte zaterdag haar jaarlijkse climax met de rugbyklassieker Frankrijk-Engeland. In Parijs waren de Fransen ongenaakbaar. Ze speelden de Engelsen helemaal zoek: 17-0 na 35 minuten. Vervolgens keken ze de kat uit de boom. In de slotfase beperkte Engeland de schade tot 20-15. Frankrijk gaat ongeslagen de laatste twee partijen in. De Six Nations Championship is het oudste sporttoernooi ter wereld: sinds 1882 met de vier Britse landen, in 1910 kwam Frankrijk erbij en van 1995 af treedt ook Italië aan.

De winnaar kroont zich tot de beste rugbynatie van het noordelijk halfrond. Tegen de suprematie van de Australische Wallabies, de Nieuw-Zeelandse All Blacks en de Zuid-Afrikaanse Springboks is voorlopig geen Europees kruid gewassen. Rugby evolueerde sinds 1995 sneller dan in de 160 jaren voorheen. Van een oer-Britse sport met een hardnekkige amateurstatus tot een professioneel gerund spektakel met een mondiale uitstraling. Frankrijk beheerste de voorbije vijftien jaar het Europese landschap. Cijfers zeggen in deze genoeg. Sinds 1986 wonnen de Fransen evenveel edities van het zeslandentoernooi als de gezamenlijk Britse oppositie: 7 tegenover Engeland 4, Schotland 2 en Wales 1.

`Men speelt geen rugby. Men is rugby, helemaal. Rugby is het leven.' De Franse journalist Henry Garcia beschreef in zijn naslagwerk Le Fabuleuse Histoire du Rugby de immense passie en de turbulente levensadem van zijn favoriete sport. Vandaag prijken les Bleus aan de wereldtop. Met een spelstijl die, na een eeuw experimenteren, blijkbaar voorgoed het midden heeft gevonden tussen frivoliteit en rancune. Rugby entre Rambo et Rimbaud, zeggen ze zelf.

L'Ovalie. Zo heet het beloofde land van de ovalen bal. Het ligt diep verscholen tussen de rivieren Loire en Garonne, de bergmassieven van Alpen en Pyreneeën en de kusten van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. De mensen van le Midi en l'Occident zijn het uitverkoren volk van de rugbyreligie: 59 van de 63 belangrijkste Franse clubs zijn hier gevestigd.

Aan de oudste sport van de natie ontleent la France profonde een deel van haar identiteit. De culturele eigenheid van het Franse spel hangt nauw samen met de mythes van het platteland en wordt daarom `het rugby van de dorpen' genoemd. Dat mondde uit in een unieke positie tussen het Britse blok (Engeland, Schotland, Ierland, Wales) en de overzeese domino Australië-Nieuw Zeeland-Zuid-Afrika.

Rugby groeide aan het einde van de negentiende eeuw uit tot de attractie van de landelijke liberale burgerij. Die zette zich af tegen de rooms-katholieke kerk en de sterke staat met socialistische oriëntatie. Deze radicale notabelen zwoeren wel trouw aan de republiek en de Franse vlag, maar ageerden tegen het centralistische gezag. Rugby verwierf daarin een betekenisvolle plaats. In hun antiklerikale netwerken en scholen werd de sport aangeleerd. Ze bleef gereserveerd voor de plaatselijke elites van Toulouse en Bordeaux, diende om atleten te kneden voor het vaderland en gaf het zuidwesten een sportieve stem tegen wat men beschouwde als de indringers van de noordoostelijke industriesteden. Rugby vertolkte de traditie van een conservatieve, culturele rebellie tegen de waarden van de Franse revolutie. Er ontwikkelde zich het beeld van de mythische held uit de Midi, die een epische strijd voerde met de heersers uit de hoofdstad.

Nochtans zag het Franse rugby het levenslicht tijdens la belle époque in de mondaine kringen van Parijs. Zij verkozen elegantie boven spierkracht. Le beau jeu. En toch: een spel dat de ultieme mannelijke superioriteit etaleerde, want vrouwen werden als vanzelfsprekend uitgesloten.

De verschuiving naar de provincie evolueerde in een stijlbreuk. Le jeu dur ontstond. Een keihard gevecht, als gold het een slagveld voor de wapenbroeders ter verdediging van het eigen territorium. Lokale solidariteit combineerde zich met vijandschap tegen `de vreemden'. Het maakte niet uit of ze nu van over zee kwamen of van het dorp verderop, ook die triviale rivaliteit stak de kop op. Tegelijk raakte het fenomeen van le troisième mi-temps in zwang. De `derde helft' blies het aloude feestgewoel van het zuidwesten nieuw leven in. Een vorm van licht gewelddadige wildebrasserij, een overvloedige drank- en schranspartij tot in de vroege uurtjes. Jongens onder elkaar, het warmde de koude nachten op. Le rugby est une fête!

De doorbraak van de radio gaf rugby in de jaren twintig een populariteitsopstoot. Met Toulouse als epicentrum schoot het aantal clubs van 260 naar 880 omhoog. Rugby maakte zich meester van het platteland en verspreidde zich snel.

De geleidelijke democratisering dumpte de artistieke bewegingen, in die mate zelfs dat Frankrijk voortaan door de andere landen om zijn brutaliteit werd gemeden. Le rugby chic van Parijs ontaardde in le rugby choc van de Midi: alles mag, als het maar tot succes leidt. In de jaren dertig en veertig kampte het Franse rugby met internationale isolatie en interne conflicten. Het richtte een eigen federatie op, los van Britse invloeden, en zocht toenadering tot landen met fascistische, of aanverwante, regimes: Italië, Spanje, Duitsland, Portugal en Roemenië. De bondsleiders keerden zich tegen de linkse Volksfrontregering van Léon Blum (1936-1938). Het wekte dan ook geen verbazing dat ze nadien aansluiting vonden bij maarschalk Pétain, wiens Vichyregime sympathiseerde met nazi-Duitsland. Pétain verafschuwde op zijn beurt de erfgenamen van de Parijse Verlichting en bombardeerde rugby tot dé nationale sport. De slogans le retour du soul, de terugkeer naar de Franse oerziel, en le retour à la terre, de nostalgische heimwee naar het land, overwoekerden de sportieve agenda. In de jaren vijftig lanceerde FC Lourdes het zogenaamde champagnerugby, door de toenmalige president De Gaulle omschreven als `het nationale erfgoed'. Hij verbond zijn lot aan de successen van Lourdes, het team werd zes keer kampioen, en promootte de club tot symbool van wat hij noemde la France qui gagne. Geen overbodige luxe in een tijdperk dat Frankrijk aan het kortste eind trok in oorlogen met zijn voormalige kolonies Indochina en Algerije. Ook in de woelige periode van de jaren zestig evolueerde het rugby niet mee. Haar vertegenwoordigers bleven De Gaulle zonder omzien trouw.

Bondsvoorzitter Albert Ferrasse bezette tussen 1965 en 1990 op autoritaire wijze de troon. Hij organiseerde drinkgelagen in uitgelezen restaurants, verzamelde de fine fleur van de rechterzijde voor jachtpartijen en ventileerde met luide stem zijn vastgeroeste meningen over mens en maatschappij. Onder zijn impuls negeerde het Franse rugby de internationale boycot van de apartheid. Hij stenigde de gedachte van de invoering van het professionalisme. Oude rugbyhelden zouden zich in hun graf omdraaien als het laatste bastion van het amateurisme werd beslecht. Ferrasse kon de geschiedenis niet keren. In de jaren negentig deed de goedbetaalde contractspeler zijn intrede en bracht de televisie rugby naar het brede publiek. Veel diehards beschouwen het nog als verraad. `Als het stelen van de herinnering aan de onbezorgde kindertijd in de natuur, aan krijgertje spelen, de picknicks in de open lucht en de linten aan de bomen', noteert Philip Dine in A la recherche du rugby perdu.

In die zin valt de kreet rugby c'est la vie van Garcia letterlijk te nemen. Althans voor wie het verleden verheerlijkt vanuit een liberale bonhommie en een nationalistische nostalgie. Voor wie gekant is tegen sociale gelijkheid en integratie. Want in tegenstelling tot het multiculturele Franse voetbalteam telt de nationale rugby XV amper migranten. Het imago van Frenchness, zoals de Britten het noemen, wordt gekoesterd. Het Franse rugby blijft een weerbarstige, zij het niet geheel onsympathieke, worsteling met de moderniteit. Tussen Rambo en Rimbaud.