Geld genoeg om knelpunten in de samenleving op te lossen

Dat Nederlanders nu slechter denken over overheid en politici dan in 1994 of 1998 is een neveneffect van het solide financiële beleid van Paars. Het gevolg was verstarring en kwaliteitsverlies. Eduard Bomhoff, Gerard Marlet en Joost Poort komen met een nieuw financieel regeerakkoord dat protestpartijen de wind uit de zeilen moet nemen.

Eén op de drie kiezers lijkt te willen stemmen op een protestpartij. Straks zijn er vijftig Kamerleden die linksom of rechtsom opponeren tegen PvdA, VVD en CDA. Waarom zo veel woede bij de kiezers? Behalve wrevel over de gesloten wereld van het Binnenhof, zien wij ook teleurstelling over het paarse beleid.

1. Rijke ouders; arme kinderen. De tweeverdieners zijn rijker, maar hun kinderen komen soms tekort. Naschoolse opvang is verwaarloosd door Paars en de kinderopvang is in Nederland het duurst van Europa.

2. Half uitgevoerde globalisering. Met onze grote uitzendbureaus, ontslag via de kantonrechter en een laag minimumloon is Nederland al flexibeler in de arbeidsmarkt dan de meeste eurolanden, en onze uitkeringen blijven hoger dan in Engeland of Amerika. Maar de paarse kabinetten hebben gefaald om het onderwijs aan de volgende generatie te verbeteren. Scholieren in de grote steden halen hun diploma niet en het beroepsonderwijs moet veel beter. Halfopgeleide jonge mensen worden potentiële slachtoffers van de globalisering.

3. Te weinig geld voor gemeenschappelijke behoeften. Privé kunnen we 30 procent meer consumeren dan acht jaar geleden, maar we zijn niet 30 procent gelukkiger, onder andere wegens veel achterstallig onderhoud aan onze samenleving. Politie, medische sector, openbaar vervoer en wegennet hebben de onstuimige groei van de private rijkdom niet kunnen bijhouden.

4. Meer snelle computers, maar niet meer dienstbetoon. Computers kunnen steeds meer, maar het lijkt soms alsof de collectieve sector eerder machtelozer wordt. Een agent doet een halfuur over een aangifte; de huisarts moet declareren bij twintig verschillende ziekenfondsen; conducteurs bij NS kennen tot 25 procent ziekteverzuim.

Dat Nederlanders nu slechter denken over politici en overheid dan in 1994 of 1998 is een neveneffect van het financieel zo solide beleid van Paars. Nederland wilde royaal mee mogen doen met de euro en ministers werkten met heel krappe financiële marges. Acht jaar lang heeft Paars niet alleen streng gestuurd op de totale uitgaven, maar ook op alle begrotingen van de afzonderlijke departementen die gebonden waren aan vierjaarsafspraken. Het kabinet week daar per jaar vanaf met maximaal 0,2 procent van de Nederlandse economie voor de omvang van de medische zorg; 0,05 procent in het lager en voortgezet onderwijs en nog minder bij de politie. Organisaties binnen de overheid verstarden, extra regels waren nodig om het budget te blijven beheersen, en de kwaliteit ging steeds meer achteruit.

Straks komen vijftig boze Kamerleden vanuit de oppositie met hun radicale alternatieven, maar gelukkig kan het volgende regeerakkoord ook radicaal zijn. Onze overheid geeft dankzij Paars nu 10 miljard euro per jaar minder uit dan het gemiddelde van alle eurolanden; de staatsschuld als percentage van de economie daalt twee keer zo snel als in het buitenland. Financieel heeft Nederland nu weer de ruimte om krachtig op te treden – tien maal sterker dan de afgelopen acht jaar. In het bedrijfsleven zijn overeenkomstige correcties in de budgetten van 2 of 3 procent van de omzet heel normaal. We kunnen twintigmaal krachtiger interveniëren in zorg, onderwijs en veiligheid dan in de verkiezingsprogramma's van de drie grote partijen staat, die zich beperken tot minuscule amendementen op het `business as usual'-raamwerk van het Centraal Planbureau.

Hier volgen vier paragrafen uit een regeerakkoord die ingaan op de zorgen van veel kiezers:

Ten eerste: hulp voor ouders en kinderen. Wij pleiten voor goedkope kinderopvang en naschoolse opvang, niet op het alomvattende niveau van Zweden, maar wel ten minste op het peil van Frankrijk. Bovendien een belastingteruggaaf ('negatieve belasting') voor alle werkende ouders met kinderen onder de twaalf jaar en een inkomen beneden 3000 euro per maand. Totale kosten: ongeveer 1 procent van de economie.

Ten tweede: lager en voortgezet onderwijs na dertig jaar van geleidelijke bezuinigingen weer terug op het gemiddelde niveau van onze buurlanden in Noordwest-Europa. Kosten: een extra 0,7 procent van de economie.

Ten derde: meer geld voor de medische sector. Wij stellen voor de financiering van de gezondheidszorg zo snel mogelijk te verhogen tot het gemiddelde niveau van Duitsland en Zwitserland. Kosten: een extra 1,6 procent van de economie voor méér personeel en betere salarissen.

Ten vierde: meer kwaliteit bij de overheid. Bij de politie willen wij evenveel blauw op straat als gemiddeld in Frankrijk en Engeland en daarenboven een eenmalige salarisverhoging met 10 procent in ruil voor het schrappen van excessieve macht van de bonden op werkgewoonten. Kosten: 0,2 procent van de economie. Nu werken 's avonds en 's nachts in een Nederlandse stad van honderdduizend inwoners nog geen zes agenten, omdat de politie vastzit aan bureaucratische werkroosters. Dat moet worden afgekocht. Ook de medische sector, ziekenfondsen, gemeenten en openbaar vervoer kunnen veel beter presteren. Beproefde ideeën uit het bedrijfsleven over bevoegdheden en verantwoordelijkheden kunnen helpen (en zijn nuttiger dan ideologische discussies vóór of tegen de markt). Voor de problemen met de files willen wij een inhaalslag, zodat de wegenbouw weer eens gelijke tred kan houden met de groei van de mobiliteit. Ook in het openbaar vervoer is extra geld nodig. Geschatte kosten voor wegen en treinen: 0,4 procent van de economie.

Tot zover de extra uitgaven. Dan nu de financiële paragraaf voor de inkomsten.

In de eerste plaats is nodig de overgang naar een cultuur waarin veel meer mensen een lichamelijk of mentaal ongemak kunnen combineren met werk. Langdurig succes bij AkzoNobel, Siemens en DSM laat zien dat prompte service aan zieke werknemers leidt tot substantiële opbrengsten in de vorm van lager ziekteverzuim en geringere instroom in de WAO. Om dat voor alle bedrijven te bereiken, moeten werkgevers hun zieke medewerkers veel intensiever en sneller kunnen helpen. Zodra de voorstellen van de SER over de WAO worden aangevuld met de eis dat niemand voortaan toegang krijgt tot de WAO-keuring zonder een logboek met verslag van alle ontvangen hulp, komt zo'n ambitieus doel binnen bereik.

Dat moet ook gelden bij de overheid en het openbaar vervoer. Met betere begeleiding bij ziekte kan het schandalige ziekteverzuim van soms twintig procent (twee maanden per werknemer per jaar) omlaag. Topmanagers bij overheid, zorg en openbaar vervoer moeten tekenen voor lager ziekteverzuim en riskeren ontslag wanneer dat mislukt.

Ook steunen wij het al ingezette nieuwe beleid om steden financieel risico te laten dragen van falen bij de sociale dienst.

Ten slotte pleiten wij op een ander terrein voor een kopie van het Engelse grondbeleid, waarbij winst op grond wegens een verandering in het bestemmingsplan voor een flink deel toevloeit naar de gemeenschap. Al deze maatregelen samen genereren op termijn ongeveer 3 procent van de economie aan extra inkomsten.

De precieze consequenties voor het financieringstekort van onze voorstellen hangen af van het tempo waarin ze totstandkomen. Extra personeel moet worden opgeleid; ziekteverzuim en WAO-instroom dalen geleidelijk. Conservatief geschat zou het financieringstekort een paar jaar lang met maximaal 1 procent van de economie kunnen toenemen ten opzichte van het kader van het Centraal Planbureau; dat is ruim binnen de regels van het Stabiliteitspact. Nog steeds zou Nederland een goedkopere collectieve sector houden dan gemiddeld in het eurogebied, met een staatsschuld die elk jaar blijft dalen tot 42 procent van de economie in 2006. Zo kunnen de grote partijen in 2002 reageren op hun vijftig toekomstige opponenten: met correcties op het beleid die in omvang en ernst recht doen aan de huidige onvrede.

Eduard Bomhoff, Gerard Marlet en Joost Poort zijn verbonden aan het economisch onderzoeksinstituut NYFER.