Geen gemakkelijk vertrek mogelijk uit Afghanistan

De ontwikkelingen in Afghanistan stellen de Verenigde Staten en hun bondgenoten voor een groot probleem. Uiteindelijk gaat het om de vraag wat je kunt doen met militaire macht in het mondiale tijdperk, meent Jim Hoagland.

Politici, diplomaten en militairen in Washington doen om het hardst hun zegje over de vraag hoe het nu verder moet in Afghanistan en hoe nauw Amerikaanse troepen en middelen daarbij betrokken moeten zijn. Nadat ik deskundigen heb horen discussiëren over de vooruitzichten van `vredeshandhaving en wederopbouw' versus een `exitstrategie', lijkt mij maar één ding duidelijk: er komt geen eenduidig antwoord om de Amerikanen uit het Centraal-Aziatische struikgewas te leiden. Afghanistan is geen zaak van of/of. Een werkbare oplossing zal op den duur gelegen zijn in een rommelige combinatie van externe druk en beloning en interne verandering. Misschien zal er een nieuw soort staatsmanschap voor moeten worden uitgevonden.

Doordat de politieke samenhang in de interim-regering van premier Karzai onlangs averij opliep en nu het Amerikaanse leger doelbewust de jacht heeft geopend op de verdwenen leiding van Al-Qaeda, is de regering-Bush opeens twee grote stappen dichter bij de noodzaak een strategie voor na de campagne te onthullen.

In het besef dat er een vacuüm ontstaat, namen de Democraten in Washington de afgelopen week het Witte Huis onder vuur. Verder willen andere landen graag van de Amerikaanse regering weten hoever ze wil gaan in haar bescherming van het bewind van Karzai en de meer permanente regering die in juni in Afghanistan zou moeten aantreden.

Op dit punt wilde het Pentagon nu juist niet belanden toen het in oktober begon met zijn bombardementen op Afghanistan. Het leger zag het als zijn taak Al-Qaeda en het Talibaan-bewind te breken en het vervolg aan de Afghanen zelf over te laten. Maar de snelle ineenstorting van de Talibaan en de plotselinge behoefte aan een veiligheidsmacht van buiten vormen een ernstig obstakel voor de wens van het Pentagon om de Amerikaanse troepen snel terug te trekken uit een krijgszuchtig land dat altijd weinig met buitenlandse troepen op heeft gehad.

Het gaat nu ook om de langere termijn. De regering-Bush heeft gretig en terecht beklemtoond dat ze de Afghanen van het kwaad heeft gered. Het is nu een kwestie van gezichtsbehoud en eer om Afghanistan niet weer in de verschrikkingen te laten terugzakken.

Dus overweegt het Pentagon de opleiding van een nationaal Afghaans leger van vijftigduizend soldaten dat eind dit jaar de taak zou overnemen om Al-Qaeda en andere terroristen buiten Afghanistan te houden. Voor noodgevallen zouden er `vlak achter de horizon' op bases in Centraal-Azië Amerikaanse oorlogsvliegtuigen en kleine contingenten aanwezig blijven.

Maar de Amerikaanse generaals voelen er nog niets voor om winnaars en verliezers te kiezen in een onderlinge Afghaanse strijd tussen krijgsheren, of tussen krijgsheren en de centrale overheid. De opleiding van dat leger is een andere naam voor een exitstrategie.

Hiertegenover staan de inspanningen van de diplomaten voor het traditionele concept van de internationale vredeshandhaving en wederopbouw zoals dat de afgelopen halve eeuw is gehanteerd. Het is begrijpelijk dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken niet graag afstand doet van de nobele traditie van het Amerikaanse leiderschap bij dergelijke ondernemingen en dat het niet graag de reële invloed verspeelt die dat leiderschap Washington geeft in de mondiale strijd om diplomatiek voordeel.

Volgens sommige van deze functionarissen is een internationale strijdmacht van ten minste twintigduizend man nodig om onder bescherming van een Amerikaanse militaire paraplu de vrede in de belangrijkste steden van Afghanistan te handhaven.

Het debat lijdt onder de overdreven strikte opvattingen in Washington over de taak van de strijdkrachten in dit tijdperk van mondialisering. De klassieke vredeshandhavingsmissie, waarbij wordt gepatrouilleerd langs een overeengekomen bestandslijn, is grotendeels verleden tijd. Voor een deel ligt het antwoord in Afghanistan misschien in een gezamenlijke opleiding en in vredeshandhavingsteams met overlappende taken. Een exitstrategie alleen volstaat ook niet als antwoord, zoals de oproep van de Amerikaanse bondgenoten aan Bush luidt sinds zijn boodschap in de State of the Union.

De schoonheid van Helena van Troje deed duizend schepen uitvaren om haar te redden. De retoriek van Bush deed duizend heteluchtballonnen opstijgen boven Europa, uit afkeuring van zijn `As van het Kwaad'-gambiet. Grote misverstanden berusten vaak op kleinigheden. Toch kan de regering-Bush niet voorbijgaan aan de verhitte reacties en het gemekker.

De zorg van Washingtons bondgenoten geldt de onzekere aard van de Amerikaanse wil tot internationale samenwerking. In het buitenland heerst de angst dat Bush actief bezig is om een zestig jaar gehanteerd, onvolmaakt maar werkbaar systeem van verdragen, conventies en andere mondiale regelgeving te vervangen door Amerikaanse Realpolitik en Diktat, in een geheel eigen reusachtige exitstrategie.

Dat is een overdreven taxatie. Maar het is ook een teken van de onzekerheid en onrust die de sterke gerichtheid van Amerika op zijn eigen prioriteiten in het buitenland teweegbrengt. Het onderstreept de noodzaak dat Washington en andere hoofdsteden nog eens nadenken – en wel gezamenlijk – over de militaire macht in het mondiale tijdperk.

Jim Hoagland is columnist van The Washington Post.

© Washington Post Writers Group