Wandelende winkels, voor al uw waren

Op de sociale ladder van Angola staan ze op het één na laatste treetje: de rondtrekkende vrouwen met hun koopwaar op hun hoofd. De boodschappen zelf zelf naar de mensen brengen is voor hen de enige manier om te overleven. Dat gebeurt er als oorlog de plattelanders massaal naar de steden jaagt.

Elke ochtend dobberen ze op de vloed van de dag naar hethart van Luanda. Elke avond spoelen ze met de eb van de nacht weer naar de sloppen terug. Tussendoor deinen ze door de straten en stegen, in onafzienbare stromen. Wrakhout van een oorlogseconomie.

In de kusttaal Kimbundu heten ze `zungeiras', letterlijk `rondtrekkende vrouwen'. `Andar na zunga' betekent `altijd onderweg'. In het Portugees staan ze bekend als `Lojas Ambulantes', `wandelende winkels' Voor al uw waren. Zonder vaste route. Zonder vaste openingstijd.

Een zijstraat van de Marginal, de boulevard die de halve baai omarmt. Een uur lang zet ik streepjes voor elke wandelende winkel die aan mij voorbijtrekt: 154 in 60 minuten, bijna één per twintig seconden. Ik noteer ook de producten die ze meedragen op hun hoofd. Eerst de meest gewilde: avocado's, tandpasta en zeep, gekookte eieren, pakken pampers, schoolschriften, handdoeken, broodjes, t-shirts, en koekjes. Maar ook minder handzame goederen zoals spiegels, krukjes, schoenen, springtouwen, gereedschappen, strijkijzers, vloerkleden en margeslampen. Een lopende band die eindeloos doorgaat en steeds weer verrast.

Een uur lang volg ik drie vrouwen op hun grillige route door het centrum. De voorste draagt een kroon van plastic afvalbakken. De andere twee vegen de lucht met een waaier van bezems.

Af en toe zetten ze hun waren neer om het zweet met hun hoofddoek uit hun nek te vegen. Het is 32 graden in de schaduw. Dan drukken ze de opgerolde doek weer op hun hoofd, als bedding voor hun lading. Een uur lang hebben ze niets verkocht.

Deze vrouwen zijn de overlevingskunstenaars van Angola. Elke dag voeren ze een strijd om het bestaan. Dat klinkt pathetisch maar het is de werkelijkheid. Op de sociale ladder staan ze op het een na laatste treetje, voor de straatkinderen en de bedelaars.

Angolese sociologen en economen hebben onderzocht wat er gebeurt als oorlog de plattelanders massaal naar de steden jaagt. Dan wachten ze niet op opvang, of hulp van de autoriteiten. Zesentwintig jaar onafhankelijkheid heeft hen geleerd dat de regering zich niet voor het volk interesseert. Dus trekken ze in bij familie, of streekgenoten, die al eerder zijn gevlucht naar de stad. De vreugde over de herening is meestal maar van korte duur.

De gelegenheidsbouwsels rondom de stad zijn toch al overbevolkt. Voor extra monden is geen geld. Zes van tien stedelingen leven onder de armoedegrens van een dollar per dag.

Een op de acht moet het dagelijks zelfs met minder dan dertig dollarcent stellen. Dat is op het platteland al niet veel, in het dure Luanda helemaal niks. Driekwart van het inkomen gaat gemiddeld aan voedsel op.

Nieuwkomers moeten dus zo snel mogelijk een bron van inkomsten vinden. Makkelijk gezegd in een land dat behalve olie en diamenten nagenoeg niets produceert. Landbouw en industrie hebben oorlog, massale uittocht van Portugezen en economisch wanbeleid niet overleeft.

Eenkwart van de werkende bevolking verdient zijn brood bij de overheid, vertelt Justinho Pinto de Andrade, hoogleraar economie aan de Katholieke Universiteit van Luanda. Dat betekent lage lonen, voor de meesten tussen de 30 en 60 dollar per maand, die soms maanden niet worden uitbetaald. Toch behoren zij tot de gelukkigen: zij hebben een baan. Tweederde van de werkende bevolking moet het hoofd boven water houden binnen de informele economie. Ruim zestig procent van die informele sector bestaat uit handel.

Handel klinkt groots. Maar handel kent rangen en standen. Nieuwkomers hebben niks te zoeken tussen de 60.000 handelaren op Roque Santeiro, de grootste markt van de stad. Ze missen het kapitaal en de connecties. Ook op de kleinere markten en in de buurthandel is voor hen geen plaats. Hen blijft alleen de meeste bescheiden en onzekere vorm van straathandel over: compra e venda, koop en verkoop in het klein, in de hoop op kleine winst. Onder de handelaren gelden zij als armsten van de armen.

Dat weerhoudt hen er niet van om zich voort te bewegen als aristocraten. Of ze nou oud zijn, of mank lopen, of een kind in hun buik dragen en een tweede op de rug, soepel en met een natuurlijke elegantie deinen ze door de straten. Behendig ontwijken ze de gaten in het asfalt. Hun waren dragen ze als exquise hoeden, vol trots en waardigheid.

Luisa Abris van 26 komt oorspronkelijk uit de provincieplaats Huambo. Vier maanden geleden is ze met twee kleine kinderen naar Luanda getogen. De vijftien dollar die ze nodig had om in zaken te gaan, heeft ze geleend van haar oudere zuster. Ze verkoopt insecticide en deodorants ,,omdat mijn zus dat ook doet'. ,,Beter dan vis want die stinkt.'

`Op een goeie dag' verdient ze genoeg om haar kinderen de volgende ochtend een bord van het Angolese volksvoedsel funje te kunnen voortzetten, een kleverige cassavepap. Na een slechte dag moeten ze met een lege maag naar bed.

Ze vindt het leven niet makkelijk, zegt ze. Elke ochtend om half zes op, om zeven uur op pad. Als ze geen geld heeft voor een minibusje eerst acht kilometer lopen naar de stad. Aan het eind van de dag zijn haar voeten rauw en opgezwollen. Dan wil ze alleen maar liggen. Ze is blij dat haar wijk geen stroom heeft. Nu moet ze al naar bed als de duisternis valt. De wandelende winkel gaat dicht.

Dit is de vierde en laatste aflevering in een korte serie over de vergeten oorlog in Angola. Eerdere afleveringen verschenen op 23, 26 en 28 februari en zijn nog te lezen op www.nrc.nl