Vier wegen voor de wereld

Eten 9 miljard wereldbewoners in 2050 allemaal bij McDonalds? Of maken 14 miljard mensen zich dan op voor de grote wereldoorlog? Dat zijn de extremen van vier mogelijke scenario's. Dit najaar zoeken politici naar duurzame alternatieven.

In het najaar maken de Verenigde Naties in Zuid-Afrika de balans op van tien jaar pogingen om duurzame ontwikkeling te stimuleren. De deelnemers aan de VN-conferentie over het wereldklimaat in Rio de Janeiro in 1992 muntten dat begrip. Nu komen velen van hen, met een nieuwe generatie wereldleiders, politici, onderzoekers en beleidsmakers, in Johannesburg bijeen.

Van Rio de Janeiro herinnert iedereen zich de noodzaak om het regenwoud te behouden. De ecologische duurzaamheid kreeg, dank zij Greenpeace, veel aandacht. De modernere interpretatie is dat duurzame ontwikkeling niet alleen een goede leefgemeenschap in het regenwoud, maar ook leefbare economische en sociaal-maatschappelijke omstandigheden voor de mens nastreeft. Het idee achter duurzame ontwikkeling is kortweg om alle wereldbewoners een zo comfortabel mogelijk leven te gunnen, zonder dat leven voor toekomstige generaties aardbewoners onmogelijk te maken. Duurzame ontwikkeling is na de Rio-conferentie, de Kyoto-akkoorden (1997) en het Bonn-echec (2001) nauwelijks dichterbij gekomen.

Voordat op 11 september vorig jaar twee vliegtuigen zich in de WTC-torens in New York boorden stond de afsluitende sessie van de komende Johannesburgconferentie al voor 11 september 2002 gepland. Terugkijkend is dat meer dan ironie: de aanslagen en hun nasleep verhoogden het aantal serieus te nemen toekomstbeelden. Een zwart scenario moest worden toegevoegd. Grofweg gesteld kan het nog vier kanten op met de wereld, waarvan die van de duurzame ontwikkeling er maar één is.

botsende beschavingen

Al jaren voor 11 september onderkenden schrijvers als Benjamin Barber (Jihad vs McWorld) en Samuel Huntington (Botsende Beschavingen) dat globaliseren niet betekent dat de hele wereld op korte termijn één cultureel denkraam, namelijk het westerse, krijgt. Daar gingen de waarschijnlijk geachte scenario's tot vorig jaar zomer echter wel van uit. Barber en Huntington waren toen nog de dissidenten die voorspelden dat snelle globalisering leidt tot een heroriëntatie op traditionele cultuurpatronen. Dit brengt een polarisatie tussen beschavingen teweeg, waarvan die tussen de islamitische en de vanouds christelijke westerse cultuur nu zichtbaar is.

Volgens het zwarte scenario, het toekomstbeeld van Huntington, leven, zolang dramatische catastrofes uitblijven, er aan het eind van deze eeuw 14 miljard mensen op deze wereld. Zij zijn net zo materieel ingesteld als de tegenwoordige mens. Daardoor is hun energie- en voedselvraag zo groot dat het aardse ecosysteem onder enorme druk staat. Natuur en samenlevingen zijn daar niet tegen bestand. Alle vormen van duurzaamheid verdwijnen uit het zicht.

Tot voor kort meenden toeristen die graag verre landen bezoeken en werknemers van multinationals dat de wereld binnen afzienbare tijd één museum en één markt zou zijn. Dit tweede mogelijke scenario ligt in de lijn van het boek van de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama's Het einde van de geschiedenis. Een sterke mondiale economische groei en een levenswijze waarbij veel grondstoffen worden gebruikt was voor Fukuyama het natuurlijke sluitstuk na de val van het communisme. Fukuyama schetste McWorld, een homogene en wereldwijde liberale democratie. Globalisering betekent dan niet alleen de wereldwijde export van westerse kennis en technologie, maar ook van alle westerse `moderniteiten', zoals consumentisme, universele mensenrechten, persvrijheid, parlementaire democratie en vrij ondernemerschap.

Fukuyama's toekomstbeeld leidt tot veel minder wereldbewoners in 2050 dan het Huntingtonscenario. Maar door de energie- en materiaal-intensieve leefstijl in dit Fukuyamamodel stijgt de CO2-uitstoot van 6 Gigaton nu naar meer dan 20 Gigaton in de tweede helft van de eeuw. Gebeurt dat, dan voorzien de meeste deskundigen grote klimaatveranderingen.

De richting naar McWorld die de wereld in de jaren negentig ging, heeft sterke tegenkrachten opgeroepen. In alle steden waar grote milieuconferenties en congressen van de wereldhandelsorganisatie (WTO) plaatsvinden roeren de demonstrerende antiglobalisten zich. Het anti-globalisme heeft nog geen afgeronde theorie, maar de socioloog Manuel Castells redeneert bijvoorbeeld dat in de huidige ontwikkelingen de balans eenzijdig is doorgeslagen naar technologie, kapitaal en markten, ten koste van institutionele verbanden en culturele waarden. Daar lijdt de identiteit van mensen onder, die zich daarom opnieuw oriënteren op (soms fundamentalistische) religies, of teruggrijpen op oudere historische elementen. Buruma en Margalit vatten dit in een artikel in The New York Review of Books (17 januari) samen als het verzet tegen stad, bourgeois, rede en feminisme. Zo'n derde, antiglobalistisch, toekomstscenario levert een in regio's ingedeelde wereld met een bevolking die weinig grondstoffen en energie verbruikt. De bevolkingsgroei blijft bescheiden door de grote aandacht voor sociale voorzieningen en onderwijs.

Vijftien jaar geleden stelden nationale overheden, georganiseerd in de Verenigde Naties, een scenario voor dat, net als het Fukuyama-scenario, ook tot globalisering leidt, maar onder beduidend minder milieudruk: het Brundtland-scenario.

De voormalige Noorse premier Gro-Harlem Brundtland, tegenwoordig secretaris-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie, presenteerde in 1987 het rapport Our Common Future. Zo'n toekomst is de afgelopen tien jaar, sinds de Rio-conferentie, door de VN en veel nationale overheden nagestreefd. Brundtland vond dat de omvang van de bevolking en het energiegebruik binnen de ecologische draagkracht van de aarde moest blijven. En dat alleen wereldwijd samenwerkende staten uiteindelijk het doel van duurzame ontwikkeling kunnen bereiken. Door welvaartstoename blijft ook in dit vierde toekomstbeeld de groei van de wereldbevolking beperkt tot 9,5 miljard mensen in 2050, met daarna zelfs een afname. In combinatie met de minder materiaal-intensieve economie leidt dit tot stabilisatie van de milieudruk. Sociaal-culturele activiteiten hebben een grote betekenis in dit scenario. Ze leveren niet alleen een hogere maatschappelijke, maar ook een betere ecologische kwaliteit. Sociaal-culturele activiteiten zijn namelijk verhoudingsgewijs milieuvriendelijk, tenminste zolang je niet tegelijkertijd kunt pianospelen en een vliegreis maken.

targets

Toekomstbeelden, zoals de vier hierboven beschreven `Huntington', `Fukuyama', antiglobalisme en `Brundtland' zijn handig om de gedachten te ordenen en de discussie te stroomlijnen. Zij kunnen worden onderbouwd met harde statistische gegevens en met computermodellen die elkaar beïnvloedende trends doorrekenen. Het Milieu- en Natuurplanbureau van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft de afgelopen jaren rekenmodellen opgesteld die bij variabele randvoorwaarden laten zien hoe het aardse klimaat verandert, en of er voldoende energie, voedsel, mineralen en grondstoffen voor de groeiende of krimpende wereldbevolking beschikbaar blijven. De TARGETS- en vooral de IMAGE-modellen van het RIVM zijn wereldwijd toegepast, bijvoorbeeld voor het vorig jaar gepubliceerde derde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Ook in de voorbereiding op de Johannesburg-conferentie spelen ze een rol. Om te ontsnappen aan eenpolitiek-normatieve discussie over sociaal-culturele cohesie en over de legitimiteit van behoeften beperken we ons hier tot de basisbehoeften: energie- en voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking.

Op energiegebied dreigen klimaatveranderingen door de verbranding van fossiele brandstoffen. De CO2-concentratie in de atmosfeer is nu al 30% hoger dan in de 400.000 jaar voor de industriële revolutie. En de reeds opgetreden opwarming van de aarde met 0,5°C is waarschijnlijk grotendeels toe te schrijven aan de verhoging van de CO2-concentratie.

De inwoners van de rijke landen dragen sterk bij aan het klimaatprobleem: één Amerikaan gebruikt per jaar zo'n 6 ton aan fossiele brandstoffen (koolstof), een Europeaan zo'n 3 ton en een bewoner van `de rest van de wereld' minder dan 1 ton. De International Energy Agency (IEA) gaat ervan uit dat tussen 2000 en 2020 het energieverbruik van een inwoner van een rijk land nog eens evenveel toeneemt als het totale energiegebruik in 2020 van iemand in een arm land.

De mogelijkheden voor duurzaam energiegebruik zijn vooralsnog beperkt. Om bijvoorbeeld jaarlijks een miljoen ton CO2 uit fossiele brandstof minder uit te stoten, zouden meer dan 1000 grote windmolens moeten draaien, of moet ten minste een gebied als de Veluwe (100.000 ha) voor de productie van biomassa ingericht moeten worden. Ter vergelijking: de Nederlandse personenauto's emitteren zo'n 20 miljoen ton en dat is de hoeveelheid waarmee de Nederlanders in het kader van het Kyoto-protocol hun binnenlandse emissie in 2010 moeten terugbrengen. Daarnaast zal Nederland nog eens zo'n 20 miljoen ton emissiereductie moeten bereiken via internationale emissiehandel, waarbij emissiereducties daar kan worden gerealiseerd waar ze het goedkoopst te bereiken is.

Sinds de klimaatconferentie in Bonn vorig jaar doet helaas het land met de grootste CO2-emissie, de Verenigde Staten, niet mee. Daardoor blijft de uitstoot van de industrielanden naar verwachting doorstijgen en neemt de wereldwijde emissie in 2010 toe met 33% ten opzichte van 1990, weinig minder dan de 35% die was verwacht zonder maatregelen. De houding van de VS is moeilijk te begrijpen. Met een slechts 10% hogere elektriciteitsrekening kunnen de Amerikanen hun oude kolengestookte energiecentrales vervangen en daarmee al voor tweederde aan hun Kyoto-verplichting voldoen. Dat kost de Amerikanen slechts 0,1% van hun bruto nationaal product, terwijl het de luchtkwaliteit binnen de VS aanzienlijk verbetert en het een impuls voor de Amerikaanse economie betekent.

De aandacht was de laatste jaren sterk gericht op het klimaateffect van de menselijke activiteiten, maar de wereld gaat ook nog gebukt onder `gewone' milieuproblemen die met een toenemende bevolking en grondstofverbruik nijpender worden. Wereldwijd treedt eutrofiëring op van meren, rivieren en kustwateren, vooral doordat stikstof (N) en fosfor (P) vanuit de landbouw in het oppervlaktewater terecht komen. De helft van de eiwitstikstof in ons voedsel en lichaam bestaat inmiddels uit stikstof die bij kunstmestfabricage uit de lucht is gewonnen. Dit gebruik van stikstof uit de lucht heeft de groei van de wereldbevolking van 3 miljard in 1950 naar 6 miljard mogelijk gemaakt. De wereldbevolking is voor haar bestaan en groei afhankelijk van deze extra stikstofbinding en de bijbehorende milieudruk.

Op weg naar een wereldbevolking van ten minste 9 à 10 miljard mensen in 2050 neemt de vraag naar voedsel toe met zo'n 50%, als iedereen op de wereld blijft eten zoals hij eet. Maar als steeds meer mensen meer vlees eten, dan is wellicht 100% meer nodig omdat vlees drie tot acht keer zo veel plantaardige productie vergt. In theorie zou het gewas-areaal nog met zo'n 40% kunnen toenemen, maar de nog te cultiveren gronden zijn meestal niet zo vruchtbaar. Veel zal dus moeten komen uit intensivering, met onder andere meer kunstmest en uit efficiëntieverhoging in de landbouw. Water is daarbij cruciaal: tegen 2025 leeft naar schatting bijna de helft van de wereldbevolking in landen met een duidelijk watertekort.

De opkomst van het gebruik van biobrandstoffen laat zien hoe sterk klimaatmaatregelen, bevolkingsgroei en wereldvoedselproblematiek samenhangen. Onder druk van klimaatmaatregelen zal bijvoorbeeld de behoefte aan biobrandstoffen groeien. Die zijn CO2-neutraal, want groeiende planten leggen evenveel CO2 vast als er later bij verbranding weer uit vrij komt. Biobrandstoffen vormen dus één van de `oplossingen' van het klimaatprobleem. Het vergt echter tientallen procenten van het landbouwareaal om tientallen procenten van de energiebehoefte uit biobrandstoffen te halen.

In de meeste landen is het inkomen per hoofd van de bevolking sinds de Rio-conferentie in absolute zin wel gestegen. Maar de inkomensverschillen tussen Noord en Zuid en ook binnen regio's zijn toegenomen. Zorgelijk is dat schaarse hulpbronnen ruimte, water, visgronden in prijs vaak sterker zijn gestegen dan het inkomen. Zelfs voor Nederlanders geldt dat soms: het aantal jaren dat een modaal Nederlands gezin moet werken om een modaal, op schaarse Nederlandse grond gebouwd huis te betalen, is de afgelopen dertig jaar toegenomen. Deze voorbeelden zijn in arme landen vaak pregnanter. Het betekent dat, ook nog levend onder verhevigde concurrentieomstandigheden en toenemende conflicten, de ervaren kwaliteit van leven voor velen niet of nauwelijks vooruit zijn gegaan.

De ervaring van de laatste honderd jaar leert dat bij economische ontwikkeling de bevolking aanvankelijk (sterk) groeit. Dat is het gevolg van hygiënische maatregelen en betere medische zorg. Maar later stabiliseert de groei doordat vrouwen banen nemen, zich beter scholen en besluiten minder kinderen te krijgen. Deze demografische transitie speelt een cruciale rol in de toekomstbeelden. Want als de hele wereldbevolking de overgang in de komende decennia voltooit groeit zij tot 9 à 10 miljard. Als dat niet lukt loopt het aantal mensen op tot meer dan 14 miljard.

patiënt aarde

Gezien de ecologische draagkracht van de aarde verdient stabilisering van de wereldbevolking een hoge prioriteit. Pas wanneer de `patiënt aarde' is gestabiliseerd, kunnen verder te ontwikkelen therapieën op energie- en voedselgebied effectief zijn. En aangezien de hierboven geschetste demografische overgang voor die stabilisering een noodzakelijke voorwaarde is, moeten de zich nu ontwikkelende landen die zo snel mogelijk doorlopen. Eerste vereiste daarvoor is inkomensgroei bij de armste bevolkingsgroepen. Een forse groei van het bruto nationaal product en daarmee samenhangende technologische ontwikkelingen in Azië en Afrika is dan ook de voornaamste reden dat in drie van de vier hier besproken scenario's het aantal mensen op de wereld in 2050 beneden de 10 miljard blijft. Alleen in het zwarte Huntingtonscenario vindt in een groot deel van de wereld de demografische transitie niet, of langzamer plaats en stijgt het aantal wereldbewoners naar 14 miljard.

Of één van de vier hier geschetste toekomstbeelden ooit realiteit wordt, en welke dat dan is, is onduidelijk. Dit soort studies zijn vooral bedoeld om onderliggende trends zichtbaar te maken.

De VN-conferentie in september in Johannesburg zou het reeds ingezette proces van globalisering en modernisering moeten voortzetten, zodat de demografische transitie uiteindelijk kan leiden tot stabilisering van de bevolking. Het Fukuyama-scenario leidt door de hoge materiële welvaart tot een hoge milieudruk en roept door zijn eenzijdigheid sociale en culturele weerstanden op die juist tot regionalisering leiden. De gebeurtenissen van 11 september hebben dat al zichtbaar gemaakt en ons doen belanden in het Huntingtonscenario. Op weg naar de conferentie in Johannesburg moge duidelijk worden dat de opgave vooral zal zijn om uit de nu ontstane minder gunstige situatie de weg terug te vinden naar het duurzame ontwikkelings-scenario van Brundtland. Die route loopt via Johannesburg; vooral de Verenigde Staten zouden zich dat moeten realiseren.

Prof.ir. N.D. van Egmond en dr. H.J.M. de Vries zijn respectievelijk directeur en senior-onderzoeker van het Milieu- en Natuurplanbureau RIVM.

Details van de hier beschreven modellen zijn te vinden op www.rivm.nl, dorklikken naar `milieu en natuur' en verder naar `internationaal'.