Vechten tegen kakkerlakken en verveling

Hoe brengen de passagiers en bemanning van de Oost-Indiëvaarders hun tijd door tijdens de lange maanden op zee? Een logboek van de reis.

Tijdens de reis naar Azië delen driehonderd mannen acht maanden lang de schaarse leefruimte aan boord van een Oost-Indiëvaarder. De dagelijkse sleur zonder contact met de buitenwereld, het eentonige voedsel, de stank en het gebrek aan privacy zouden ons gek maken. Ook voor de VOC-matroos is het een hard leven, maar het bestaan in de sloppen van de stad of op schrale zandgrond is niet zo heel veel beter.

Aan boord bestaan twee gescheiden werelden. Het gehele achterschip is gereserveerd voor de officieren en hoge Compagniedienaren, die als koopman, rechter of predikant in Azië gaan werken. Zij nemen vaak hun vrouw, kinderen en bedienden mee. Vóór de grote mast leven de zeelieden en soldaten. Zij zijn vrijwel allen geboren in de laagste sociale milieus of in weeshuizen opgegroeid. Velen zijn afkomstig uit Duitsland en Scandinavië.

Een strenge tucht moet het gemêleerde gezelschap in toom houden. Op godslastering, dronkenschap of het over boord gooien van etenswaren staat een boete van enkele maanden gage. Voor gokken of vechten zet de VOC het scheepsvolk enige dagen op water en brood. De zwaarste vergrijpen zijn muiterij, moord en sodomie (homoseksuele relaties). De daders worden levend over boord gegooid. Brandmerken, geselen en kielhalen zijn straffen met doorgaans minder fatale gevolgen.

De zeelieden leven benedendeks tussen hun hangmatten, plunjekisten en het geschut. De schaarse bagage bestaat uit een jas, enkele broeken en hemden, een slaapmuts en soms een paar schoenen, een tabaksdoos, pijpen, een stuk zeep, luizenkam, messen, lepels, een kan en een kroes. Wie schrijven kan, brengt pennen, papier en inkt mee. Sommigen bergen in hun kist een bijbel, navigatiehandboek, een fluit of viool. Iedereen neemt enige kazen, hammen, stroop en flessen jenever mee als extra mondvoorraad voor de eerste weken aan boord.

Naarmate de reis vordert wordt het overbevolkte tussendek steeds smeriger. Bedorven kielwater onderin het schip, de lucht van ongewassen matrozen en hun kleding, van braaksel en diarree maken de atmosfeer bedompt en ongezond. De Compagnie geeft strenge instructies het scheepsruim geregeld te luchten en uit te roken met buskruit en jeneverbessen. Desondanks is het verblijf een kweekplaats van ziekten. Een tyfusepidemie kan de bemanning halveren.

Ook de eentonige voeding veroorzaakt ziekte aan boord. Het menu bevat voldoende calorieën, maar te weinig vetten en vitaminen. Het scheepsvolk begint de dag met in boter gekookte gort. Het middagmaal bestaat uit grauwe erwten met gezouten vlees, stokvis of spek in botersaus. 's Avonds eten de mannen `het overgebleeven eeten'. Elke dag krijgen zij een mutsje (15 cl) wijn en jenever en een literkan bier. Daaruit moeten zij voldoende energie putten voor de dagelijkse arbeid, die bestaat uit de roergang en uitkijk, het bedienen van de zeilen en lenspompen. Verder teren de matrozen het schip en verrichten zij allerlei reparaties, onder leiding van de vele vaklieden aan boord. Het scheepsvolk is ingedeeld in drie wachten. Elke groep heeft vier uur dienst en daarna acht uur vrij.

In hun vrije tijd luieren de mannen in hun hangmatten. Bij goed weer zitten zij boven aan dek. Zij verstellen hun kleding, maken muziek of spelen voor en met elkaar sketches. Een favoriete bezigheid is het vissen naar haaien en – rond de evenaar – naar vliegende vissen. Sommige varensgasten brengen hun vrije tijd door met schrijven en lezen. De VOC zorgt dat er voldoende stichtelijke lectuur aan boord beschikbaar is. Onbevaren matrozen worden geacht een deel van hun vrije tijd te besteden aan het opdoen van nautische kennis en vaardigheden. De bootsman leert hen de streken van het kompas en de namen van de diverse onderdelen van schip en tuigage.

De elite op het achterschip geniet een comfortabeler leventje. De schipper en de belangrijkste passagiers hebben een eigen hut. Overdag leeft het gezelschap in de grote kajuit. De ruimte staat weliswaar volgepakt met bagagekisten, maar het onderkomen biedt elk lid van de scheepselite meer leefruimte dan tien matrozen tezamen op het tussendek.

Voor de passagiers kunnen de dagen op zee lang duren. Zij hebben geen taken aan boord. De uren passeren in ledigheid. De zusjes Helena en Johanna Swellengrebel houden tijdens hun reis naar Nederland een dagboek bij. De jonge dames ontbijten met koffie en een beschuitje met boter en kaas. Een groot deel van de ochtend zijn zij druk met allerlei huishoudelijke klusjes, zoals het beschermen van de kledingkisten tegen kakkerlakken. Als de meid ziek wordt, helpen zij uit noodzaak en verveling met het schoonmaken van de kajuit.

Het middagmaal biedt een rijke variatie aan vers vlees van slachtvee, dat speciaal voor de officieren en passagiers aan boord is meegenomen. Op tafel staan ook allerlei verse groenten zoals asperges, spinazie of schorseneren, die in kisten met tuinaarde aan dek worden geteeld. De kok serveert gesmoorde lamsbout, gebraden schaapskop of ragout van varkenspootjes.

Na een korte siësta is het rond vier uur tijd voor een feestelijke middagthee met confituren, noten en amandelgebak. Daarna gaan de meisjes vissen vanuit de patrijs van hun hut. Het diner lijkt sterk op de lunch, maar is nog aangevuld met poffertjes, pannenkoeken of rijst met krenten. De avond passeert met muziek. Voor het slapen gaan organiseren de zusje nog een kakkerlakkenjacht. Dan hopen zij dat hun nachtrust niet verstoord zal worden door storm, zeeziekte of het geknaag van ratten aan boord.

Els M. Jacobs is sinds 1998 coördinator van de Nationale Jubileumexpositie `De kleurrijke wereld van de VOC', die vanaf 16 maart enkele maanden te zien is in zowel het Scheepvaartmuseum te Amsterdam als het Maritiem Museum te Rotterdam.