Twee caffers voor twaalf stuyvers

Slavernij was een gangbaar fenomeen in de nederzettingen van de VOC. Want íemand moest toch de tabaksdozen en parasols dragen?

Wanneer anno 2002 de namen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) of de West-Indische Compagnie (WIC) vallen, legt de leek vaak direct een verband met slavernij. In het geval van de WIC ligt dat voor de hand, want de slavenhandel was een van de kurken waar het bedrijf op dreef. Bij de VOC is die associatie minder vanzelfsprekend, omdat slaven niet behoorden tot de handelswaar waarmee majeure winsten konden worden behaald. Dat deed de VOC met peper, fijne specerijen, Indiase kleden, thee en koffie.

Een en ander neemt niet weg dat slavernij een belangrijk fenomeen is in de geschiedenis van de VOC. In de Aziatische maatschappijen waarmee de VOC in aanraking kwam was slavernij de gewoonste zaak van de wereld. In de gewesten van de VOC zelf had men te maken met een tekort aan arbeidskrachten, bijvoorbeeld voor de bouw van vestingen, pakhuizen en kantoren, het laden en lossen van schepen, etc. Slavenarbeid was een van de oplossingen voor dit probleem. Toch werden in de meeste gewesten van de VOC niet meer dan enkele tientallen compagnieslaven aangetroffen; alleen in Batavia en Colombo liep hun aantal op tot meer dan duizend.

De Europeanen en Aziaten die in de nederzettingen van de VOC waren gevestigd hielden privé ook slaven. Iemand die twee slaven had, gebruikte die meestal voor het huishouden: koken, wassen, inkopen doen en brandhout halen. Naarmate het aantal slaven toenam, begonnen de taken uiteen te lopen: van het dragen van de parasol en de tabaksdoos tot het koetsier zijn of muzikant in een huisorkestje. Sommige ondernemers stelden slaven te werk in steen- en pannenbakkerijen, houtzagerijen, suikermolens en distilleerderijen. Particuliere slaven werkten in enkele gewesten ook in de landbouw, zoals op Banda (in de nootmuskaatperken) en aan de Kaap de Goede Hoop (op de boerderijen van de kolonisten). Het aantal particuliere slaven was een veelvoud van het aantal compagnieslaven. In VOC-nederzettingen was ongeveer de helft van de totale bevolking slaaf.

Hoe kwam de VOC aan slaven? Vaak werden zij gekocht van particuliere handelaren; in enkele gevallen voerde de VOC ze zelf aan. Aan de Kaap werden om de paar jaar schepen naar Madagaskar gezonden om slaven te halen. Erg succesvol waren deze expedities niet, waardoor het eigen aandeel van de VOC in de actieve slavenhandel gering bleef. Dat was anders bij de WIC. Werden bij de VOC jaarlijks hooguit honderd slaven aangevoerd, bij de WIC (of door haar gemachtigde koopvaarders) liep dat aantal op tot 2.500 à 3.000. De aanvoer van slaven in de gewesten van de VOC was dus vooral in handen van particulieren. Batavia was zodoende een belangrijk afzetgebied voor slaven van Bali, Zuid-Celebes en Timor. Hier ging het om forse aantallen. De schattingen van de jaarlijkse aanvoer lopen niettemin uiteen: van 1.000 tot 4.000.

Gezinsverbanden werden onder slaven weinig aangetroffen. De slavenpopulatie kon zichzelf dan ook niet door natuurlijke aanwas in stand houden; daarvoor was het kindertal te klein. De behandeling van slaven verschilde van eigenaar tot eigenaar. Toch leek het merendeel van de slavenhouders doordrongen van het besef dat een goede omgang alleen in hun voordeel zou werken. Zoals ook predikant François Valentijn, de schrijver van het overzichtswerk Oud- en Nieuw Oost-Indiën. Eenmaal getrouwd met een rijke weduwe op Ambon kreeg hij de beschikking over een groot aantal slaven.

Over slaven die te veel dronken, opium rookten of van hun meesters en medeslaven stalen, schrijft de predikant: `in hoedanigen geval het allerbest is zig ten eersten van zulken te ontslaan, alzoo het mij zeer tegen de borst stond dit quaad dagelijks te straffen. Men mag dat zelf wel doen, dog men mag hen noit vastbinden, weshalven veelen om zig hierin door toorn dikwijls niet te buiten te gaan liever voor 12 stuyvers twee caffers van den fiskaal (een soort officier van justitie, red.) doen haalen om dezelve zoo als het behoord en buyten eenig gevaar of verantwoording te straffen.'

Hieruit blijkt al enigszins dat er niets zo bedreigend voor de openbare orde was als slaven die in verzet kwamen of van huis wegliepen. Predikant Valentijn geeft in Oud- en Nieuw Oost-Indiën diverse voorbeelden van banditisme onder weggelopen slaven. Particuliere eigenaars werden daarom gelast hun slaven zo min mogelijk zelf te bestraffen; dergelijke delicate zaken kon men, zoals gezegd, beter aan de dienaren van de Compagnie overlaten. Welk lot de slaven in dat geval stond te wachten wordt duidelijk uit de geschriften van de scheeps-chirurgijn Nicolaus de Graaff: `latense haar om een geringe oorsaak aan een paal of op een ladder binden en met scharpe doorgespouwe rottingen (gespleten rotan, red.) op haar naakte ligchaam so danig slaan en geesselen datter het bloet bij neer loopt en de lappen daarbij neder hangen, daar sij dan sout, peper en pekel door malkanderen geroerd laten invrijven, opdat het doorgeslagen vlees, niet en sou komen te verrotten of te stinken.'

De draconische maatregelen die zowel de VOC als particuliere slavenhouders troffen tegen slaven die zich niet aan het slavenregime onderwierpen, getuigen van een scherpe tegenstelling tussen meester en slaaf. Toch zijn er ook gevallen bekend van meer harmonieuze relaties. Regelmatig werden slaven vrijgelaten of in de gelegenheid gesteld zich vrij te kopen. Een aantal slavenhouders trad zelfs in het huwelijk met hun slavin. In de gewesten van de VOC was, naast arbeidskrachten, ook een chronisch tekort aan Europese vrouwen. Europese vrijgezellen met enig vermogen namen daarom niet zelden een slavin als bijzit; kwam het tot trouwen dan resulteerde dat in een vrije status voor de vrouw.

Gerrit Knaap is hoofd van de afdeling Historische Documentatie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Hij coördineert dit jaar een informatiepunt over de VOC: het VOC-Kenniscentrum.