Stel indexatie pensioenen veilig

Indexatie van pensioenen dreigt in gevaar te komen door dubieuze financiering. Ondernemingen moeten hier hun verantwoordelijkheid nemen en terughoudend zijn met het profiteren van overschotten die pensioenfondsen in goede jaren behalen, meent M.P. Gans.

Indien een onderneming in het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid toezeggingen doet op het gebied van de indexatie van pensioenen de aanpassing hiervan aan de ontwikkeling van lonen of prijzen dienen de kosten hiervan voor haar rekening te komen. Bij het vaststellen van de hoogte van de pensioenpremie zou daarom eigenlijk met de kosten van de indexatie rekening moeten worden gehouden. Die premie wordt betaald door de werkgever, de werknemer of door beiden.

Nu zijn er bij het wel en wee van pensioenfondsen twee categorieën belanghebbenden: de premiebetalers en de gepensioneerden. Eerstgenoemden hebben er belang bij dat de premie zo laag mogelijk is, terwijl het belang van de pensioentrekkers gediend is met een nakoming over de gehele pensioenperiode van de pensioentoezeggingen, de indexatie inbegrepen.

Het beleggingsbeleid van het pensioenfonds wordt bepaald door het bestuur van het pensioenfonds, waarin de werkgever en de werknemers de dienst uitmaken, dus de premiebetalers. Historisch gezien levert belegging in aandelen op lange termijn bezien een hoger rendement op dan belegging in obligaties. Door aan het pensioenfonds voor te schrijven dat op grote schaal in aandelen wordt belegd en aldus extra rendement te kweken streven de premiebetalers er in feite naar de premielasten laag te houden en de kosten van de indexatie af te wentelen naar het pensioenfonds. Via belegging in aandelen moet het pensioenfonds proberen de indexatie te verdienen, terwijl het geen partij is bij de arbeidsovereenkomst.

Of de historische waarheid dat belegging in aandelen een hoger rendement oplevert dan belegging in obligaties in de toekomst herhaald zal worden, ligt in de schoot der goden verborgen. Wat wel bij voorbaat vaststaat is dat aandelenkoersen aan sterke fluctuaties zijn onderworpen. Hierbij zullen zich trendmatige en conjuncturele schommelingen manifesteren, om van incidentele ontwikkelingen zoals een `hype' maar te zwijgen.

In het laatste decennium van de vorige eeuw is de verwachting dat aandelen extra rendement zullen opleveren royaal uitgekomen. Bij pensioenfondsen die hun effecten op beurswaarde waarderen, zijn hierdoor grote reserves zichtbaar geworden, hun bezittingen stegen aanmerkelijk uit boven de actuarieel berekende pensioenverplichtingen. Hierdoor ontstonden bij pensioenfondsen overschotten aan eigen vermogen die men `vrije reserves' ging noemen.

De afgelopen jaren zijn deze `vrije reserves' in menig geval mede ten goede zijn gekomen van de betrokken onderneming, hetzij via kwijtschelding van premies, hetzij zelfs in de vorm van regelrechte uitkeringen. Aan dit beleid kleven twee grote bezwaren, het eerste uit een oogpunt van pensioenzekerheid, het tweede eerder van macro-economische aard.

Het begrip `vrije reserves' is in dit verband volstrekt misplaatst. Het is in strijd met het karakter van belegging in aandelen: aandelenkoersen kunnen naar hun aard fluctueren. Perioden van stijging worden afgewisseld door perioden van daling. Bestuurders van pensioenfondsen dienen niet alleen kennis te nemen van de oude bijbelse verhalen inzake de zeven vette en de zeven magere jaren, maar hiernaar ook te handelen. Wie in de vette jaren de reserves opmaakt wordt in de magere jaren geconfronteerd met tekorten die de toezeggingen inzake indexatie op losse schroeven plaatsen. Als de kosten van de indexatie worden afgewenteld naar het beleggingsbeleid van het pensioenfonds, dient dit in beginsel de beschikking te houden over de vruchten van dit beleid.

Dit impliceert geenszins dat de betrokken onderneming dan ook a contrario gevrijwaard zou zijn van premie-aanvulling indien de resultaten van het beleggingsbeleid teleurstellend zouden zijn, zoals de laatste tijd het geval pleegt te zijn. Pensioenverplichtingen zijn immers een onderdeel van het arbeidsvoorwaardenbeleid van een onderneming. Zeker indien door de onderneming gebruik is gemaakt van het beleggingsresultaat van het pensioenfonds, is het beknibbelen op indexatie moeilijk te verdedigen.

Een bezwaar van geheel andere aard tegen het profiteren door ondernemingen van gunstige beleggingsresultaten bij hun pensioenfonds is dat het conjuncturele schommelingen in de bedrijfsresultaten van ondernemingen versterkt. Stijgende aandelenkoersen zullen immers in het algemeen samenhangen met stijgende ondernemingswinsten. Deze worden dan ook nog eens vergroot door besparingen op pensioenpremies of zelfs door de uitkering van `vrije reserves' door hun pensioenfonds. Bij dalende winsten en dalende beurskoersen moet omgekeerd juist weer (extra) premie worden betaald, wat via hun effect op de winst de aandelenkoersen extra onder druk zal zetten.

De vraag rijst in hoeverre het voor pensioenfondsen geldende voorschrift de effecten tegen beurswaarde op de balans te zetten de hier gewraakte praktijk in de hand werkt, en zo ja, hoe dit dan voorkomen kan worden. Vaststaat dat ondernemingen in het kader van de indexatieproblematiek geneigd zijn van twee walletjes te eten. De premie is in het algemeen te laag om de kosten van indexatie te dekken. Maar ook is de verleiding groot koerswinsten bij het pensioenfonds tijdens de top van de koersconjunctuur af te romen. Het voldoen aan indexatieverplichtingen tijdens het dal, zeker als deze afhankelijk zijn gemaakt van de reservepositie van het pensioenfonds, wordt hierdoor bemoeilijkt en onzeker. Aldus dreigt bij de indexatie van een dubieus financieringssysteem sprake te zijn.

Prof.dr. M.P.Gans is emeritus hoogleraar ondernemingsfinanciering Erasmus Universiteit Rotterdam en lid Deelnemersraad Pensioenfonds ABN-Amro.