Rentree van Vadertje Staat

Het idee van het `mondige kind' is te ver doorgeschoten, vindt pedagoog Ido Weijers. Jongeren moeten tegen zichzelf in bescherming worden genomen.

Zijn schrikbeeld is de rechtspraak in de Verenigde Staten, waar steeds meer jongeren berecht worden als volwassenen. Het feit dat zij volledig verantwoordelijk worden geacht voor hun daden is volgens dr. Ido Weijers, verbonden aan de Faculteit Sociale Wetenschappen in Utrecht, het ultieme bewijs dat de westerse samenleving met het idee van `het mondige kind' te ver is doorgeslagen. ``Jongeren van veertien, vijftien jaar die een ernstig delict plegen hebben juist een emotionele achterstand. Maar met dat inzicht wordt in de VS niets gedaan. Het strafrecht is er keihard en het levert niets op. In feite zijn deze kinderen al verloren.''

In zijn boek `De creatie van het mondige kind' beschrijft Weijers de fuik waarin kinderen èn opvoeders terecht zijn gekomen sinds kinderen eind jaren zestig het etiket `mondig' opgeplakt kregen. Weijers: ``Opvoeding betekent (van oudsher) dat men kinderen helpt, begeleidt en leidt, op weg naar mondigheid. De opvoeder treedt op als `plaatsvervangend geweten'. Mondige individuen hebben daarentegen geen opvoeding nodig, omdat ze worden verondersteld al tot moreel en intellectueel zelfbestuur in staat te zijn. Het mondige kind is in feite geen kind meer, althans geen `opvoedeling' in de zin van de moderne opvoedingstraditie.''

Die contradictie maakt opvoeden vandaag de dag lastig. Want waar blijf je als ouder met je regels als de hele wereld je kind voor vol aanziet? Het leven van jongeren is evenmin eenvoudig. Het etiket `mondig' heeft hen naast meer vrijheid en gelijkheid ook meer verantwoordelijkheid opgeleverd. Speciale jeugdvoorzieningen zijn voor een deel opgedoekt. Een verharding noemt Weijers het: sluiting van jeugdhuizen, lagere bijstandsuitkeringen en studiefinancieringen en juist hogere boetes en straffen voor vergrijpen. Weijers: ``Dat er op scholen agenten nodig zijn om de orde te handhaven vind ik een voorbeeld van een heel treurige ontwikkeling. Zoiets zou niet nodig moeten zijn.''

Op de vraag hoe het nu verder moet geeft het boek van Weijers geen antwoord. Die pretentie heeft hij ook niet, want zijn boek is een historische inleiding tot de pedagogiek en jeugdzorg, bedoeld als leerboek voor zijn studenten. Maar gezeten aan de keukentafel van zijn Amsterdamse bovenwoning waar een onvermoede stilte heerst, wil Weijers er wel wat over zeggen. ``Ik ben er voor het klassieke begrip van `bescherming' weer in te voeren. Jongeren hebben geen levenservaring en moeten tegen zichzelf in bescherming genomen worden.'' Daarom pleit Weijers voor een rentree van Vadertje Staat: ``De overheid moet maatregelen nemen die kinderen beschermen tegen het idee dat ze eigenlijk al volwassen zijn.''

Het idee van het mondige kind maakte zijn politieke entree in 1975, toen toenmalig minister van Onderwijs Jos van Kemenade in zijn Contourennota mondigheid als kerndoel van het onderwijs omschreef en waarin hij tevens pleitte voor de erkenning van de mondigheid van jongeren. ``Het gaat om hun vorming en ontwikkeling tot zelfstandigheid. Zo'n vorming is tot mislukken gedoemd wanneer niet, waar mogelijk, hun mondigheid en eigen verantwoordelijkheid ook in het onderwijs zelf worden erkend.''

Pleitte Van Kemenade alleen nog voor participatie van leerlingen bij het reilen en zeilen van school, inmiddels reikt die invloed veel verder. Gezinnen van vandaag zijn onderhandelingshuishoudens. ``De opvoedingscursussen van Gordon zijn ongekend populair'', zegt Weijers. ``Het feit dat je `ik' moet leren zeggen tegen je kind maakt je onderhandelaar tegenover je kind. Uit onderzoek blijkt dat in dit geval autochtone ouders moeite hebben met het corrigeren van hun kinderen en in elk geval straffen niets vinden, omdat het de autonomie van het kind zou aantasten. Sinds de jaren zestig gaan ouders en kinderen op basis van gelijkwaardigheid met elkaar om. De gezagsrelatie die voortkomt uit het feit dat de kinderen nog niet volwassen zijn wordt ontkend.''

Weijers noemt het in zijn boek de pedagogische paradox van het moderne opvoeden. ``We helpen een kind op weg naar morele en intellectuele onafhankelijkheid in afhankelijkheid. Opvoeding veronderstelt nu eenmaal afhankelijkheid, hoewel het doel uiteindelijk het bereiken van onafhankelijkheid is. Naarmate we kinderen zonder meer als mondig beschouwen, verliest de pedagogiek haar aanknopingspunt bij het alledaagse denken en bij de alledaagse opvoedingspraktijk. In die zin draagt de notie van het mondige kind het einde van de moderne pedagogiek in zich.'' Want, zo concludeert Weijers, sinds het midden van de jaren zeventig hult de pedagogiek zich, als het gaat om het stellen van opvoedingsdoelen, in stilzwijgen.

Op zichzelf heeft de veranderde verhouding tussen ouders en kinderen veel goeds opgeleverd, geeft Weijers toe. Maar de relatie op basis van gelijkwaardigheid maakt het voor ouders moeilijk grenzen te stellen. En sommigen verliezen daardoor de greep op hun kinderen. ``Een eeuw geleden was het geld dat jongeren verdienden een noodzakelijk deel van het gezinsinkomen. Nu mogen jongeren het naar eigen inzicht besteden. Op het gebied van drankgebruik bijvoorbeeld loopt het dan uit de hand'', zegt hij.

Uit cijfers die het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) deze week publiceerde blijkt dat 40 procent van de jongeren tussen de 15 en 19 jaar regelmatig meer dan vijf glazen alcohol drinkt. Weijers: ``Het drinken speelt zich grotendeels buitenshuis af. Iedereen doet het, dus voor jongeren is de groepsdruk groot, en ze hebben het geld om het te betalen. Ik vind het zorgelijk dat er geen sluitingstijden gelden voor jongeren en dat er in cafés drank wordt verstrekt aan jongeren van dertien, veertien jaar. Wat is dan de kracht van argumenten van ouders tegen drankgebruik? Daar zou de overheid regulerend moeten optreden, juist ook omdat het rechtstreeks samenhangt met veiligheid. Daarom steun ik ook het voorstel van het verkeersveiligheidsorgaan SWOV voor een nachtelijk rijverbod voor jongeren.''

Vanuit die gedachte pleit Weijers ook voor het behoud van de pedagogische taak van het jeugdstrafrecht. In zijn boek `Schuld en Schaamte' uit 2000 betoogt hij dat kattekwaad gewoon kattekwaad moet blijven. ``Gewoon ouderwets politieoptreden heeft hier in 95 procent van de gevallen effect. Die hand van die agent die je op je schouder voelt branden maakt bij de meesten een onuitwisbare indruk. Pas als dat niet werkt moet je, samen met de ouders, verder zoeken. Maar als eerste moet je jongeren tegen zichzelf beschermen.''