Ontwaakt slapende pensioenslaven!

Een lezer van 25 jaar meldt vastbesloten op zijn vijftigste te stoppen met werken. Hoe dat moet, vraagt hij zich bezorgd af. De enige manier is trouwen met de dochter van een miljonair op leeftijd, en niet scheiden tot de pensioenbuit binnen is. Op eigen kracht lijkt zo'n vroege finish niet haalbaar. Reken maar mee.

Stel hij verdient 20.000 euro per jaar, wil datzelfde bedrag als inkomen na zijn vijftigste en verwacht 75 jaar te worden. Hij moet de komende 25 jaar dus evenveel opzij leggen als hij verdient, als we er van uitgaan dat hij geen rendement (rente, beleggingswinst, huur) maakt in de komende halve eeuw. Dus de helft van zijn inkomen tussen zijn 25ste en 50ste moet in een spaarpot, dat betekent dat dit op 40.000 euro per jaar moet liggen in plaats van 20.000. Wanneer zijn inkomen stijgt, moet het spaargeld navenant mee omhoog.

De praktijk van alledag is grimmiger. Zo heb je de inflatie, waardoor je steeds minder kan kopen voor je geld. Om die vermindering bij te houden, moet je in theorie ten minste evenveel rendement maken als de inflatie. Plus nog de 1,2 procent heffing in box 3. En niet te vergeten zo'n 1 procent compensatie voor allerlei kosten. Zo kom je uit op rond de 5 procent jaarrendement alleen om bij te blijven, terwijl je graag meer wil, om minder geld opzij te hoeven leggen.

Als je een oudedagsvoorziening in eigen beheer op deze wijze rekenkundig benadert, blijkt een pensioen dat levenslang op peil blijft (waardevast) en gelijk oploopt met je inkomen (eindloon) niet zo vanzelfsprekend als mensen geloven.

Het goede nieuws is de AOW, de vorstelijkste belegging die er is. Je hoeft alleen maar tussen je 15de en 65ste ingezetene van Nederland te zijn om levenslang een redelijk waardevaste uitkering te krijgen. Al betaal je nooit een cent premie. En over een zelf opgebouwd pensioeninkomen hoef je geen inkomstenbelasting te betalen. De lezer van 25 jaar houdt tijdens zijn tweede jeugd dus netto meer over dan in zijn werkjaren. Hij kan daarom minder opzij leggen.

Maar weinig werknemers en gepensioneerden die deelnemen in een pensioenregeling (via pensioenfonds of -verzekeraar) liggen 's nachts te piekeren over hun pensioentekorten, -breuken en -achterstanden. Men gelooft het wel en neemt niet de moeite om zich te verdiepen in de eigen situatie.

Men loopt wel als loonslaaf te hoop voor een half procent loonsverhoging, maar niet als pensioenslaaf tegen een gebrekkige oude dag. Men is op dit punt ingedommeld. `Ze moeten maar zorgen dat mijn pensioen op peil blijft.' Maar `ze' bestaan niet.

Aan de andere kant sluiten mensen wel veel koopsompolissen en lijfrenteverzekeringen, oorspronkelijk bedoeld als een potje voor later. Vreemd genoeg realiseren verzekerden zich dat pensioenidee niet zo. Je sluit zo'n `ding' voor de premieaftrek en het belastingvoordeel. Het gewin op korte termijn staat dus voorop. Dom. Zo combineren vele honderdduizenden werknemers hun spaarloonregeling met een lijfrentepolis, verleid door het zogenaamde dubbele belastingvoordeel. De maandelijkse inhoudingen gaan direct naar de verzekeraars als premie. Maar nu staatssecretaris Bos van plan lijkt in de volgende kabinetsperiode de spaarregelingen af te schaffen valt dat dubbele voordeel wellicht weg.

Ook de jaarlijkse aanpassing van pensioenen aan het prijspeil (waardevast) of loonpeil (welvaartsvast) hapert. Meerdere regelingen geven die indexatie dit jaar niet. Men beroept zich op de achterblijvende rendementen op de reserves door de sterk gedaalde aandelenkoersen. Een heikel punt, want tot voor kort werden pensioenbeheerders juist aangemoedigd om meer in aandelen te beleggen. Dat pakt dus niet altijd goed uit.

Op vele punten brokkelt de zekerheid van de oudedagsvoorziening af. Vaak ongemerkt. Niet omdat de pensioenfondsen en levensverzekeraars hun werk niet goed doen, maar eerder omdat de werknemers meer vrijheid en flexibiliteit krijgen. Daar is niet zoveel op tegen, maar het betekent niet automatisch dat zij hun pensioenbehoeften op peil houden. Onder meer omdat bij velen het overzicht ontbreekt.

Hun voorziening voor later (in ruime zin) is in de loop van de jaren ongemerkt versnipperd over spaargelden, beleggingen, lijfrentepolissen, kapitaalverzekeringen, AOW, eigen huis, andere huizen, eigen zaak, enkele pensioenen van werkgevers enzovoort. Hoeveel zijn al die brokstukken waard, omgerekend naar een ouderdomspensioen? Op hoeveel pensioen mik je eigenlijk en op welke leeftijd? Heb je nou een pensioengat of meer een pensioenbult?

Denk eens aan de voorziening voor nabestaanden. Daar hoor je weinig over. Wanneer het ouderdomspensioen achterblijft, blijven immers ook het daarvan afgeleide partnerpensioen en de wezenpensioenen achter. De moraal: tijd om op te staan.