Loongolf slaat gat in economie

Flinke loonstijgingen, stagnerende productiviteit: na zeven jaar feest kalft de concurrentiepositie van Nederland angstaanjagend snel af.

Welk land is een van de meest productieve ter wereld? Nederland. De Conference Board, het toonaangevende economische bureau van de Amerikaanse werkgevers, noemde Nederland vorige week het land met na België en Frankrijk de productiefste werknemers ter wereld, gemeten aan de toegevoegde waarde per gewerkt uur. Zelfs de Verenigde Staten zijn een procentje minder productief.

Welk land verliest in het hoogste tempo zijn voorsprong? Ook Nederland. En snel. Middenin de huidige moeizame onderhandelingen voor een reeks van nieuwe cao's kwam de tijding van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vorige week als een schok: de productiviteit in de marktsector van de Nederlandse economie is vorig jaar met een vol procent gedaald. In de vijftig jaar waarin de productiviteit is bijgehouden, had het CBS tot nu toe nog maar tweemaal een daling gesignaleerd, en nog nooit een van de omvang van die van vorig jaar.

De productiviteitsval is het laatste incident van een ontwikkeling die zich al tijdenlang voordoet. Volgens gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, die volgens gemeenschappelijke standaards de productiviteitsontwikkeling bijhoudt, nam de arbeidsproductiviteit in de marktsector in Nederland de afgelopen tien jaar met gemiddeld 1 procent toe. In de eurozone, de landen die de euro hebben ingevoerd, bedroeg de productiviteitsstijging gemiddeld ruim 1,6 procent. En in de Verenigde Staten was dat gemiddeld ruim 1,8 procent.

Het is gangbaar dat bij een economische neergang de productiviteit daalt: werkgevers houden hun mensen nog even in dienst – en zeker in Nederland waar werknemers de laatste jaren zo schaars waren. Als de productie dan vertraagt, leidt dat statistisch tot een afnemende productie per werknemer. Probleem in Nederland is, zegt econoom H. Versluis van de Rabobank, dat de productiviteitsgroei al zo laag was, dat de conjuncturele dip van 2001 meteen resulteerde in een negatief cijfer.

Een trage productiviteitsgroei is op zichzelf geen ramp. In Nederland zorgde die er voor dat er extra veel mensen in dienst werden genomen toen de economie aantrok in de jaren negentig. Zo droeg de lage productiviteitsgroei bij aan het werkgelegenheidswonder onder de twee paarse kabinetten.

Voorwaarde is dan wel dat de loonkosten even bescheiden toenemen. Stijgen die harder dan de productiviteit, dan resulteert dat in een toename van de loonkosten van de productie: de `loonkosten per eenheid product' stijgen. En als die harder stijgen dan in landen waarmee Nederland wedijvert op de wereldmarkt, dan resulteert een verlies aan concurrentiepositie.

Daarin zat het wonder van de loonmatiging van de jaren tachtig die die werd doorgevoerd na het Akkoord van Wassenaar in 1982 tussen werkgevers en werknemers. Al was de productiviteitsgroei ook toen niet hoog, de relatieve loonmatiging ten opzichte van de rest van Europa deed zijn werk. De loonkosten per eenheid product in Nederland bleven tussen 1982 en 1992 een kwart achter bij het gemiddelde van de huidige euro-landen. In de jaren negentig groeide Nederland uit tot het favoriete vestigingsland voor internationale bedrijven, en plukte de vruchten van de matiging.

In de jaren negentig, en zeker na de helft van het decennium, is de trend omgekeerd. De rest van Europa ontdekte gaandeweg de zegeningen van een gematigde loonstijging, terwijl juist in Nederland zelf de steeds krappere arbeidsmarkt tot een loonexplosie heeft geleid. Volgens het jongste price and cost competitiveness report van de Europese Commissie, dat per kwartaal de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de EU-landen bijhoudt, stegen de loonkosten per eenheid product vorig jaar in Nederland 2,8 procent sneller dan het Europese gemiddelde. Over de afgelopen twee jaar is dat opgeteld 6,2 procent, en de opwaartse trend is al sinds 1995 aan de gang. Enkel de Portugezen maken een snellere stijging door.

Niet alleen de stijging van de cao-lonen is daar debet aan. Extra periodieke loonstijgingen van werknemers, hogere inschaling en tal van andere maatregelen hebben aan de stijging bijgedragen.

De ontwikkeling van de Nederlandse concurrentiepositie is op tal van manieren weer te geven. De meest toepasselijke hier is het hanteren van een `reële effectieve wisselkoers', gebaseerd op de relatieve ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product. Die combineert de wisselkoersontwikkeling ten opzichte van de belangrijkste handelspartners met het verschil in loonkostenontwikkeling tussen Nederland en die handelspartners. En vangt zo de twee belangrijkste determinanten van de internationale concurrentiepositie in één. Omdat de sterk gestegen Amerikaanse dollar een flink gewicht heeft, lijkt het met de recente stijging van die Nederlandse reële effectieve wisselkoers nog mee te vallen. Daarom kan het verloop het beste worden afgezet tegen de reële effectieve wisselkoers van alle twaalf euro-landen, die zelf tenslotte ook profiteren van de hoge dollar. Pas dan blijkt goed hoe dramatisch de Nederlandse concurrentiepositie binnen Europa aan het verslechteren is.

Het is een kwestie van tijd dat Nederland zal gaan dalen op lijstjes van favoriete vestigingslanden. De oplossing voor het probleem ligt in het beïnvloeden van de twee belangrijkste variabelen: de lonen opnieuw matigen ten opzichte van de rest van Europa. Of een productiviteitsgroei bewerkstelligen die decennialang niet is gezien.

Gerectificeerd

Loongolf

De grafiek bij het artikel Loongolf slaat gat in economie (2 en 3 maart, pagina 15) houdt geen rekening met de intra-europese handel. Daardoor spelen externe wisselkoersen een te grote rol, en vallen de uitslagen in de grafiek te groot uit. Het verloop van de grafiek en de conclusies blijven intact.