Jip Golsteijn en het poppercentage

Er zijn van die uitspraken waarvan je eerst wil weten wie het gezegd heeft voordat je kan besluiten of het waar is. `Popmuziek is voor 99 procent een wegwerpproduct.' Uit de mond van Rick van der Ploeg of, zeg, Rudy Kousbroek is deze stelling vanzelfsprekend onjuist. Bij Van der Ploeg weet je dat er politieke redenen zijn om de bewering te doen. Wegwerpproducten verdienen minder of het liefst helemaal geen cultuursubsidie. Rudy Kousbroek gun je datgene waar hij naar taalt – of in ieder geval naar zou moeten talen: tegenspraak.

De bewering is van Van der Ploeg noch Kousbroek. Jip Golsteijn zei het nog niet zo lang geleden, in een aflevering van Wintertijd op RTL5. Omdat hij – popjournalist, muziekfanaat – het zei, rest ons niets anders dan nederige instemming. Als iemand het kon weten was Golsteijn het wel. Er schijnen mensen geweest te zijn die de Volkskrant jarenlang alleen maar op maandag kochten omdat, tot een paar jaar geleden, op die dag Kees Fens in drie grote kolommen een boek recenseerde. Wij zijn die mensen nooit tegengekomen, maar er is geen enkele reden om de Volkskrant of Kees Fens die piek in de losse verkoop te misgunnen. Wel kennen wij heel veel liefhebbers van popmuziek die De Telegraaf uitsluitend kochten op de dag dat Jip Golsteijns rubriek Popscore erin stond. Sterker: een groot deel van de generatie van dertigers is opgegroeid met Jips eigen pagina. Eerst kwam de Hitkrant, daarna Golsteijns Popscore en uiteindelijk Oor, Vinyl en, voor de fanatieksten onder ons, Melody Maker. Meer dan dertig jaar schreef Jip Golsteijn in De Telegraaf over popmuziek. Dat is lang, heel lang, vooral als je bedenkt dat zijn rubriek nooit echt in die krant heeft thuisgehoord. Het is altijd licht vervreemdend gebleven, Golsteijns stukken over Hank Williams, Fishbone, Gregory Hines of Leonard Cohen in de ochtendkrant van Stan Huygens en Henk van der Meyden. Zijn stukken hadden altijd de toon alsof ze per vergissing in die krant waren gekomen en eigenlijk waren bedoeld voor Oor, Hollands Diep of, een recenter voorbeeld, het herboren Aloha.

Golsteijn wist heel goed hoe je vooral niét over popmuziek moest schrijven. De afgelopen weken zal hij ongetwijfeld een paar keer hebben gegniffeld om de openbare muziekles die Marcel Möring onder de titel Luister naar de tekst! in de Volkskrant publiceerde. Möring benadrukte in die les dat de liedjes van Paul McCartney de vergelijking met liederen van Strauss en Mahler kunnen doorstaan. Allemaal malligheid, zou Golsteijn hebben gezegd. Wie een album van Alanis Morissette bespreekt moet niet meteen komen opdraven met Sylvia Plath. En Bob Dylan was misschien in zijn songteksten familie van Dylan Thomas en William Carlos Williams, maar de tafelschikking van een mogelijke familiebijeenkomst moest wel overzichtelijk blijven: de dichter aan het hoofd van de tafel, de popmuzikant ergens achteraan, in de rokershoek en bij de uitgang – niet om hem er makkelijk uit te kunnen gooien, maar om hem de mogelijkheid te bieden het hazenpad te kiezen zodra de conversatie aan tafel penetrante pretentie begon te vertonen.

Ook wanneer een popartiest die ballotage niet haalde en bleek te behoren tot die 99 procent weggooicultuur, spande Golsteijn zich in om ondanks alles nog iets goeds uit zo iemand tevoorschijn te halen. Bijkomend effect was wel dat de meeste geïnterviewden precies hetzelfde bleken te praten als de verslaggever. Ze waren altijd goedgeluimd, nieuwsgierig, energiek en, het belangrijkste, ze wisten zichzelf allemaal te relativeren, ook wanneer zo iemand in alle andere interviews uitblonk in egomanie en getourmenteerdheid. Buitenlandse popsterren zijn natuurlijk zelden in de gelegenheid geweest die interviews na te lezen, maar bij de Nederlandse popmuzikanten die dat wél deden was Golsteijn erg geliefd. Ze vroegen hem nooit iets te veranderen; hij liet hen in die interviews vaak dingen over henzelf en hun muziek zeggen die ze in werkelijkheid nooit op die manier onder woorden hadden kunnen brengen, maar nu Jip het namens hen had gedaan, waren ze hem daar bijzonder dankbaar voor. Zijn interviews waren eigenlijk keer op keer verhulde zelfportretten. Jip Golsteijn projecteerde onvermoeibaar het ideaalbeeld dat hij van iedere artiest had op de geïnterviewde in kwestie. En dus werd, bijvoorbeeld, Art Garfunkel de rebel vol zelfspot, droomde Leonard Cohen in een interview Jips eigen droom over een geweldig huis waarin Hank Williams, Irving Berlin en George Gershwin onder één dak wonen, en mocht Terence Trent d'Arby in een interview letterlijk de eerste wet van Golsteijn uitspreken: rock & roll is weliswaar wegwerpmuziek, maar ik ben ervan overtuigd dat Little Richard dichter bij God stond toen hij Tutti Frutti zong dan menig componist van zogenaamd serieuze muziek.

Wie zich Terence Trent d'Arby, eendagsvlieg uit de jaren tachtig, nog herinnert, is er zeker van dat de beste jongen zelfs niet tíjdens een moment van groots inzicht in staat zou zijn geweest dit te beweren. Golsteijn hield zonder voorbehoud van rock & roll, en dus óók van de 99 procent wegwerpproducten; ten bate van die liefde was hij ertoe geneigd om het beste uit iedere popmuzikant te halen, ook wanneer dat beste opvallend veel gemeen had met al het goede van de verslaggever zelf. Vorige week is Jip Golsteijn overleden. Hij was een geweldig boefje. Zijn Popscore was rock & roll op papier in de vermomming van schrandere journalistiek. Meer dan dertig jaar lang heeft hij aanstekelijk kunnen jammen in De Telegraaf. 99 procent van die krant gooiden wij altijd na vluchtige lezing weg. Het procentje Golsteijn was om te bewaren.