Jan Pieterszoon Coen: bruut of held?

Hij geldt als een van grootste VOC-dienaren uit zijn tijd. Maar ook als een van de meest brute en gehate. Jan Pieterszoon Coen, stichter van Batavia, wordt tot op de dag van vandaag geroemd en verguisd.

Hij wordt in 1587 in Hoorn geboren en op 13-jarige leeftijd door zijn vader naar Rome gestuurd om zich te bekwamen in een nieuwe manier van boekhouden. Deze vaardigheid zal Coen later goed van pas komen, want als het aan zijn vader ligt wordt hij koopman. En inderdaad, zeven jaar na zijn vertrek wordt Coen als onderkoopman aangenomen op het VOC-schip Hoorn.

De tocht duurt drieënhalf jaar en voert hem langs de Kaapverdische Eilanden, Sint-Helena, Mozambique, India, Malakka (Maleisië) en het uiteindelijke doel van de reis: de Banda-eilanden (Indonesië). Daar moet het felbegeerde monopolie op nootmuskaat en foelie worden afgedwongen. Er volgt een felle strijd met de Bandanezen. Als de admiraal van de vloot, Pieter Willemszoon Verhoeff, in een hinderlaag wordt gelokt, beginnen zijn manschappen een strooptocht die eindigt met een verdrag: de Bandanezen zullen voortaan alleen nog specerijen leveren aan de VOC. Dit ten koste van (met name) de Engelsen, die woedend zijn.

Na terugkomst schrijft Coen een lijvig rapport over zijn bevindingen. Hij valt op bij de hoofddirectie van de VOC, de Heren Zeventien. Nog geen jaar later verzoeken zij hem er weer op uit te trekken – ditmaal als opperkoopman. Eenmaal op Bantam treft hij een chaos aan en Coen is vast van plan `orde op zaken te stellen'. Hij wordt daarbij voor de voeten gelopen door Portugese, Engelse, Chinese en Franse kooplieden.

In 1618 wordt Coen benoemd tot gouverneur-generaal, de hoogste rang in Azië. In die hoedanigheid wil hij een vast steunpunt voor de VOC vestigen, het liefst in Jacatra. Op 28 mei 1619 wordt de stad – die eerst tot `Batavia' en pas veel later tot `Jakarta' wordt omgedoopt – veroverd en verwoest.

Minder voorspoedig loopt het op Banda, waar de vrijheidslievende bevolking niet terugschrikt voor Coens overmacht. De gouverneur-generaal besluit daarop tot geweld over te gaan, in wat te boek staat als een van de bloedigste slachtpartijen uit de geschiedenis van de VOC. Vijftienduizend Bandanezen werden vermoord, verdreven of als slaaf naar Batavia gestuurd. Maar Coen is tevreden: Banda is onderworpen.

Slavernij en moordpartijen – in Coens tijd lijkt alles geoorloofd voor een handelsmonopolie. Toch klagen kapiteins, kooplieden en zelfs bewindhebbers veelvuldig over Coens brute veroveringstactieken. De prijs voor nootmuskaat is wel erg hoog, vinden ook de

Heren Zeventien. In latere eeuwen keert Coens naam regelmatig terug in discussies over het kolonialisme. ,,Aan zijn naam kleeft bloed'', concludeert historicus J.A. Van der Chijs aan het eind van de negentiende eeuw.

Na `Banda' wil Coen handelsposten oprichten in China, om rechtstreeks porselein, zijde en andere Chinese goederen te kunnen inslaan. Die missie mislukt; de vloot die op 10 april 1622 van Batavia naar China vertrekt keert twee jaar later onverrichter zake terug.

Coen krijgt daarna met steeds meer bestuurlijke problemen te maken en ook met zijn gezondheid gaat het snel bergafwaarts. Hij sterft op 21 september 1629, in de armen van zijn vrouw Eva. Moegestreden, na ruim twintig jaar trouwe dienst.