`Iedereen probeerde zijn zakken te vullen'

Hoe corrupt waren VOC- vaarders? Daarom draait het nog te verschijnen boek van VOC-deskundige Femme Gaastra: Indisch fortuin. De auteur blikt alvast vooruit.

Is Femme Gaastra (56) de grootste VOC-deskundige? Dat is natuurlijk een onzinnige vraag. ,,Zoiets zeg je toch niet van jezelf', vindt de universitair hoofddocent maritieme en vaderlandse geschiedenis aan de universiteit van Leiden. ,,Er is een grote groep compagniedienaren onder de historici. Hier op de gang zitten allemaal VOC-deskundigen', zegt Gaastra, doelend op de tweede etage van het geschiedenisgebouw.

Feit is dat Gaastra een standaardwerk schreef over de Verenigde Oost-Indische Compagnie, De geschiedenis van de VOC. Van dit boek is deze maand een derde druk verschenen. Als hij door de VOC-manifestaties niet al te veel van zijn werk wordt gehouden, verschijnt in september een nieuw boek: Indisch fortuin, over de rijkdom en corruptie onder de werknemers van wat wel beschouwd wordt als de eerste multinational.

,,Ik wilde de drijfveren van de VOC-mensen kennen', zegt Gaastra. Hij raakte in de ban van bijvoorbeeld een man als Eyso de Wendt, een Fries die begin achttiende eeuw als jongetje met zijn oudere neef vertrekt naar de Oost. Later zal hij terugkeren met een aardig kapitaal. Gaastra: ,,Wat heeft die man voor indrukken gehad? Wat dreef de gelukzoekers op jacht naar fortuin?'

Dat VOC-vaarders behangen met goud terugkeerden van hun verre reizen is een misvatting, zegt hij. ,,De overgrote groep zeelieden en soldaten is bij de VOC niet rijk geworden. Erger nog: veel mensen stierven tijdens hun werk. Alleen een hele kleine elitegroep is exorbitant rijk geworden'.

Wilde je in de achttiende eeuw echte rijkdom vergaren, zegt Gaastra, dan moest je zien door te dringen tot het exclusieve netwerk van invloedrijke bestuurders en koopmannen. Succes was pas verzekerd als je het ingewikkelde systeem van vriendjespolitiek en nepotisme kon doorgronden. Het viel hem op dat mensen voortdurend op zoek waren naar een recommandatie, een aanbevelingsbrief. ,,Het was één groot patronagestelsel.'

Het VOC-leven werd pas echt aantrekkelijk als je in dienst kon treden als bijvoorbeeld onderkoopman. Dan deed je onderweg wat schrijfwerk en in Batavia (het huidige Jakarta) kreeg je een administratieve functie op een pakhuis of kantoor. Zo'n functie kon je kopen voor een slordige 3.500 gulden. De officiële verdiensten bedroegen vervolgens 40 gulden per maand. Het echte geld werd evenwel verdiend doordat je in een positie zat waarin je geld kon maken. Door te ritselen. Je schreef bijvoorbeeld een partijtje levensmiddelen af als zijnde bedorven en verkocht het spul vervolgens aan de Engelsen. En je kon voor eigen rekening handel gaan drijven, gebruikmakend van de middelen en contacten van de VOC, zogeheten morshandel. ,,Je hebt officiële toelages en inofficiële verdiensten. Iedereen deed daar aan mee, iedereen was gecorrumpeerd', zegt Gaastra.

Pas aan het eind van de achttiende eeuw, in de nadagen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, werden er pogingen ondernomen om aan deze praktijken een einde te maken. De advocaat van de onderneming, Sebastiaan Nederburgh, werd in 1792 als commissaris-generaal naar Batavia gestuurd. Zijn oplossing bestond uit het invoeren van een nieuwe belasting, het ambtgeld. ,,De onnozelste vorm van belastingheffing', noemt Gaastra dit. Alle hoge ambtenaren moesten 25 procent belasting betalen over hun niet-officiële inkomsten. Vooral omdat de belastingplichtigen aanvankelijk zelf hun aanslag moesten vaststellen, werkte het systeem niet.

Gaastra gebruikt in VOC-verband niet graag het woord corruptie. ,,Dat klinkt zo onvriendelijk'. Het is meer een grijs gebied van onderling handjeklap. Als Gaastra vertelt over de machthebbers binnen de VOC klinkt het niet veel anders dan hedendaagse klachten over exhibitionistische zelfverrijking van de bestuurders van de huidige grote ondernemingen, die elkaar gunstige optieregelingen toekennen. ,,Je was dom als je niet je zakken vulde. Dat was het algemeen gevoelen'.

Het gaat Gaastra te ver om de veelgehoorde opvatting te onderschrijven dat de VOC bezweken is aan corruptie. ,,Dat is veel te kort door de bocht', zegt hij. De VOC was aan het eind van de achttiende eeuw niet efficiënt georganiseerd. De Leidse historicus spreekt van een ,,institutioneel onvermogen' om te breken met de schadelijke praktijken. De greep uit Nederland verslapte. Er leek wel sprake van een soort privatisering. Bestuurders kregen minder betaald en moesten, om de stand op te houden, steeds meer als vrije jongens hun kostje verdienen. ,,Mensen identificeerden zich steeds minder met de VOC en dat was, zeker in een periode van toenemende internationale concurrentie, fataal'.

De geschiedenis van de VOC. ISBN 90.5730. 184.9 Uitgeverij Walburg Pers, Zutphen.