Gestoofde peertjes voor de tropenadel

Bij de VOC waren nauwelijks vrouwen in dienst. Maar bij de werving van zeevarenden speelden zij een cruciale rol. `Voor waard, waardinnen en voor 't hoertje'.

`Zonder vrouwen kan het mannelijk geslacht niet bestaan', schreef Jan Pieterszoon Coen in 1619 aan de bewindvoerders van de VOC, de Heren Zeventien. De gouverneur-generaal in Batavia (het huidige Jakarta) maakte zich zorgen over het VOC-beleid dat – op een enkele vroedvrouw na – vrouwen verbood een arbeidscontract aan te gaan voor het werk in de Oost. Volgens Coen zou het gebrek aan vrouwen wel eens het einde van de VOC kunnen betekenen.

De Heren Zeventien bleken gevoelig voor het argument van de opperkoopman. Op diens verzoek werden enkele honderden `huwbare jonge dochters' op vaderlandse bodem ingescheept. Een tijdgenoot van Coen wist te melden dat de eerste lading Hollandse meisjes die de Oost-Indiëvaarder `t Wapen van Hoorn in Batavia afleverde, werd verwelkomd als `gestoofde peertjes'. Coen zelf dacht daar anders over. Hij typeerde hen als `een goddeloze hoop' en keurde de bestelling zonder omhaal af.

Begin zeventiende eeuw waren er slechts weinig Europese vrouwen te vinden in de Oost. Het aantal familieleden van hoge dienaren dat toestemming kreeg de overtocht te maken, is te verwaarlozen. Hetzelfde geldt voor de paar vrouwen die, verkleed als man, onder de VOC-reglementen probeerden uit te komen. Coens bevolkingspolitiek bracht daar geen verandering in. Omdat ook latere leveranties Hollandse meisjes niet aan de verwachtingen voldeden, werd de onderneming al snel gestaakt.

In de jaren dertig van de zeventiende eeuw maakten de huwbare jonge meisjes plaats voor Aziatische vrouwen die, tot opluchting van de bewindhebbers, `kloeke, robuuste kinderen' ter wereld brachten. Er moest misschien wat scholing en catechisatie aan te pas komen, maar daarmee werd de toekomst van de tropenadel wel veiliggesteld.

Een van de beroemdste Aziatische vrouwen uit die tijd was Cornelia van Nijenroode. Haar levensgeschiedenis was misschien nooit opgetekend als historicus Leonard Blussé niet op haar naam was gestuit in een VOC-archief. Zijn boek Bitters Bruid. Een koloniaal huwelijksdrama in de gouden eeuw (1998) beschrijft het leven van deze opmerkelijke Japanse vrouw die, samen met haar tweede echtgenoot Joan Bitter, Batavia jarenlang in de ban hield.

Bitter was in 1674 met vrouw en kinderen naar Batavia afgereisd, waar hij was benoemd tot lid van de Raad van Justitie, het toenmalige Hooggerechtshof van de Nederlands-Indische koloniale vestigingen. Zijn vrouw overleefde de zeereis niet en Bitter, die al jaren krap bij kas zat, stortte zich bij aankomst op de acht jaar oudere, vermogende weduwe Van Nijenroode. Nog geen half jaar later trouwde het stel; Bitter kreeg – conform het toenmalige Hollandse recht – de zeggenschap over Cornelia's bezittingen.

In de maanden daarna volgden felle ruzies over eigendomsrechten en Cornelia constateerde al snel dat Bitters `uytterlijke lieffkooserijen ende obligeante ontmoetinge begonnen te verflauwen om weynige tijts daeraan geheel op te houden'. De daaropvolgende juridische strijd duurde dertien jaar en kostte beiden een vermogen. Uiteindelijk werden de twee echtelieden naar Nederland verbannen, waar Cornelia in het niets lijkt te zijn opgelost. Wel is een portret van haar en haar eerste echtgenoot, Pieter Cnoll, bewaard gebleven. Het hangt sinds jaar en dag in de VOC-zaal van het Rijksmuseum.

Hoewel de handelsvaart een typische mannenaangelegenheid was, werd de werving van zeelieden vooral aan vrouwen overgelaten – de zogenoemde zielverkopers. Deze logementhoudsters cq. arbeidsbemiddelaars, hadden maar één doel: afgedankte zeelui en berooide werkzoekenden voorzien van eten en drank opdat zij, eenmaal in de schulden beland, tekenden voor een reis. Vlak voor de afvaart werd een zogeheten ceel (later verbasterd tot `ziel') opgemaakt, waarin de Oost-Indiëvaarder verklaarde zijn schuld na terugkeer te zullen voldoen. Omdat tweederde het thuisfront nooit meer terugzag, werden deze transportbrieven meestal voor een lagere prijs doorverkocht.

Volgens de historicus Marc van Alphen, verbonden aan het Instituut voor Maritieme Historie in Den Haag, hadden de zielverkopers een zeer slechte reputatie. De opgevoerde schuldbedragen deden de werkelijkheid nogal eens geweld aan en niet zelden werden `gasten' opgesloten tot het schip vertrok – zo konden ze tenminste niet deserteren. Een aantal zielverkopers (meestal zeemansvrouwen) ging onderlinge samenwerkingsverbanden aan. Dat leidde regelmatig tot vechtpartijen, waarbij zelfs kleine privé-legers werden ingeschakeld. Slechts een enkeling kon overigens van het werk rondkomen; de meesten opereerden in de marge van de samenleving.

Ook prostituees waren een belangrijke schakel in de werving van VOC-personeel. In een tijd dat de lonen bij de VOC laag waren en de arbeidsomstandigheden zwaar, meldden slechts weinig mannen zich vrijwillig bij de Compagnie aan. Tenzij het water hen aan de lippen stond. Als we de verwijten uit die tijd mogen geloven, waren vooral prostituees debet aan hun val in armoede. En dus had het leven van zeevarenden veel weg van een vicieuze cirkel: na aankomst direct naar het huis van plezier en met het volgende schip weer weg. Of, zoals een liedjesschrijver het verwoordde:

Op een transport- en een schuldbriefje,

Adieu Pierrot, adieu mijn liefje,

Vaart hij weer heen, hij is `t gewend.

Zo vaart het arme sukkel-broertje,

Voor waard, waardinnen en voor `t hoertje,

Zolang als hij leeft tot zijn end.

Bronnen: Marc van Alphen, Ronselaars voor de VOC in Enkhuizen omstreeks 1710 (1995), Leonard Blussé, Bitters Bruid. Een koloniaal huwelijksdrama in de gouden eeuw (1998), Marijke Barend-van Haeften, Egodocumenten van vrouwen uit de VOC-tijd (1995), Lotte van de Pol, Het Amsterdamse hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw (1996).