Een kruidig mengsel van nostalgie en wetenschap

Vierhonderd jaar geleden werd in de Haagse Ridderzaal de Verenigde Oost- Indische Compagnie opgericht. Bijna twee eeuwen lang beheerste de VOC de handel in peper, specerijen en textiel tussen Nederland en Azië. Op 20 maart begint officieel het herdenkingsjaar. `Wat dreef de gelukzoekers op jacht naar fortuin?'

De VOC staat, vierhonderd jaar na haar oprichting, in het brandpunt van de belang- stelling. Men spreekt van een viering, maar wat valt er te vieren? Een feestelijke onder- neming is de VOC nooit geweest. Herdenken is een beter woord.

Drie verstrengelde letters, meer niet. Het logo van de VOC, het oudste bedrijfsmerk ter wereld, was niet verantwoordelijk voor het succes, maar wél voor de bekendheid van de Compagnie. Destijds in grote delen van Azië en nu, 400 jaar na de oprichting, nog steeds in Nederland. Drie letters die een wereld oproepen van kruidnagel en kaneel, van scheurbuik en schipbreuk, van geweld en gewin.

Al spoedig na de oprichting bleek de Compagnie succesvol op commercieel en militair gebied. Dat kan alleen maar verklaard worden door het beleid van een aantal scherpzinnige ondernemers in Nederland, door de schaal waarop de VOC het offensief tegen de Portugezen inzette, en door een superieure maritieme macht, geleid door een reeks vakkundige commandanten. En dat alles was weer mogelijk gemaakt door een aantal onorthodoxe eigenschappen van het bedrijf.

De VOC was voortgekomen uit een fusie tussen Hollandse en Zeeuwse voorcompagnieën die op de Oost voeren en vandaar peper en specerijen haalden. Door de fusie ontstond een ijzersterk bedrijf met een ongelofelijk snelle start. Afhankelijk van de omstandigheden wist de Compagnie nu eens met militair geweld, dan weer door commerciële contracten met lokale vorsten een reeks handelsposten te vestigen.

De bestuursstructuur en de rechten van de Compagnie waren vastgelegd in het octrooi van 1602, de concessie die de Staten-Generaal aan de VOC verleende. Het omvat verregaande bevoegdheden van zowel commerciële, militaire, als juridische en staatsrechtelijke aard. De VOC kreeg daarmee het alleenrecht om naar Azië te varen en handel te drijven ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van Straat Magelhaen. De Compagnie mocht uit naam van de Staten-Generaal personeel werven, onder wie militairen, handelscontracten aangaan, forten bouwen, oorlog voeren en vrede sluiten. De Compagnie kreeg dus een aantal soevereine rechten die gewoonlijk uitsluitend waren voorbehouden aan een staat.

De VOC kocht producten in Azië in en verkocht die in Nederland. Maar het bedrijf opereerde ook in Azië zelf als een handelsonderneming. Omdat de Nederlanders te weinig goederen en edelmetaal naar Azië konden brengen om hun inkopen te dekken, namen zij deel aan het al lang bestaande stelsel van de intra-Aziatische handel. De producten waar de meeste winst op werd gemaakt waren peper en fijne specerijen zoals nootmuskaat, foelie, kruidnagelen en kaneel. Later kwamen er nieuwe producten bij, in de eerste plaats katoenen stoffen en zijde, en verder porselein, koffie en thee.

De Compagnie had zeer veel personeel in dienst: in Nederland, in Azië en op de schepen. In de achttiende eeuw was de VOC verreweg de grootste Nederlandse werkgever geworden. Op de werven in de pakhuizen en op de kantoren werkten een paar duizend man. Het aantal werknemers in Azië was vele malen groter dan in Nederland. Een miljoen personen is in dienst van de Compagnie naar Azië vertrokken en ongeveer eenderde daarvan is teruggekeerd. Op de tientallen vestigingen waren duizenden mensen nodig: voor bestuur, beheer, defensie, administratie, voor het bouwen van woonhuizen, pakhuizen en schepen en voor de geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg en het onderwijs. Ruwweg voeren in de zeventiende eeuw jaarlijks 4.000 man per jaar weg en in de achttiende eeuw 7.000.

De VOC was een bekend bedrijf, omdat zo veel mensen er direct of indirect hun brood verdienden, omdat er altijd wel verhalen de ronde deden over verre Aziatische landen en spectaculaire reizen en omdat men thuis en in de winkels dagelijks de producten zag die door de Compagnie waren aangevoerd. Het porseleinen theekopje, het zakje peper, het gestreept katoenen baadje (jasje) – het kwam allemaal in het bereik van grote delen van de bevolking. Maar wat is de aantrekkingskracht van de VOC nu? Waarom al die wetenschappelijke studies, publieksboeken, tentoonstellingen, VOC-wandelingen en televisie- en radioreportages?

Het antwoord ligt in de diversiteit van onderwerpen die de VOC raken, in de uiteenlopende disciplines die zich ermee bezighouden en bovendien in de verschillende niveaus waarop men zich in de VOC kan verdiepen. En hier en daar speelt misschien nog een ruwe-zeebonk-nostalgie een woordje mee.

Tot 1940, toen de band met Azië veel intensiever was dan nu, waren er altijd historici met de VOC bezig geweest, maar na de onafhankelijkheid van Indonesië is het decennialang stil gebleven. Een hernieuwde en tot nu toe alleen maar toenemende belangstelling zette zo'n dertig jaar geleden in. De combinatie van historici van de universiteit van Leiden (en van enkele buitenlanders) en archivarissen die werkzaam waren bij het Algemeen Rijksarchief in Den Haag (waar het 1.200 meter lange VOC-archief berust) veroorzaakte een wetenschappelijke opleving.

Dat resulteerde in een aantal verbazingwekkende en tot dan toe alleen maar vermoede kwantitatieve basisgegevens over het aantal schepen, de omvang van het personeel, de hoeveelheid en de waarde der goederen. Dit bood het kader waarbinnen detailstudies konden verschijnen: over de handel, het management, de boekhouding, de oorzaken van de ondergang, de porseleinhandel, maar ook over de sociale aspecten van het leven op vestigingen als Bengalen, Ceylon en Batavia, over de oorzaak van de grote sterfte in Batavia, over het postverkeer, over de achtergronden van het personeel, over muiterij, over botanisch onderzoek en cartografie. Dankzij de goed bewaarde VOC-archieven biedt de VOC ook de mogelijkheid om inzicht te krijgen in de vroege geschiedenis van landen waar het bedrijf actief is geweest. Niet voor niets komen jaarlijks vele geleerden uit Japan, Taiwan, India, Sri Lanka en Zuid-Afrika naar Den Haag voor onderzoek naar het verleden van hun land.

In het kielzog van deze academische belangstelling ontstond ook een buiten-universitaire aandacht. De vondst van VOC-wrakken en de daaropvolgende berging en veiling met miljoenenopbrengsten fascineerde een breed publiek. De bouw van twee replica's (de 17de-eeuwse Batavia in Amsterdam en de 18de-eeuwse Amsterdam in Amsterdam) deed daar nog een schep bovenop. Menigeen ging ook genealogisch aan de slag, op zoek naar varende voorouders of naar plaatsgenoten die ooit vertrokken waren. Een aantal televisie- en radioprogramma's, een reeks tentoonstellingen en vele populair-wetenschappelijke boeken deden de rest. En zo nestelde de VOC-belangstelling – hier en daar iets te veel gekruid met robuuste verhalen en sentimentele accordeonmuziek – zich in de belangstelling van velen. Het is niet verwonderlijk dat dit uitmondt in een VOC-jaar.

Men spreekt wel van een viering, maar wat valt er eigenlijk te vieren? De VOC is nooit een feestelijke onderneming geweest. Batavia heette omstreeks 1700 al het `kerkhof der Europeanen'. Niemand die nu leeft hoeft trots op de VOC te zijn. Het is niet onze verdienste. Evenmin is `schuld' een zinvol sentiment. Slavenhandel, roof en moord, het is allemaal voorgekomen. De VOC heeft een reeks bloedige oorlogen gevoerd, op de Molukken, op Ceylon, op Java en op de Zuid-Westkust van India. Op een aantal plaatsen is zij onbarmhartig tegen de inheemse bevolking opgetreden. Herdenken is een beter woord en wie daarover schrijft of spreekt moet daarbij wel de internationale historische context in het oog houden en de lange geschiedenis van slavernij in Azië daarin betrekken.

Onverschilligheid en wreedheid trof ook het eigen, Europese personeel. Dat leed onder lage lonen, slecht voedsel, onmenselijke straffen en gebrekkige promotiekansen. En wat die zelfverrijking betreft: die kwam voor van hoog tot laag, maar alleen een kleine toplaag is werkelijk rijk geworden. Vooral hun sporen zullen we dit jaar zien op de grotere tentoonstellingen: de Japanse kamerschermen, het Chine de Commande, de sitsen beddespreien en japonse rokken, die men kon aantreffen in de huizen van de Nederlandse nabobs die het hadden gemaakt.

Van Jan Compagnie zelf de matroos of soldaat die het zware werk moest doen zal men weinig aantreffen. Van hem rest niets meer dan een enkele schoen, een gedeukte tabaksdoos of een kapotte jeneverfles uit een van de VOC-schepen op de bodem van de oceaan, waar hij roemloos mee ten onder is gegaan.