Een botanische studie als levenswerk

Wie aan de VOC denkt, denkt aan handel. Maar naast het koopmanschap speelde ook de wetenschap een rol. Vooral het onderzoek van botanisten was van hoog niveau.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) was in 1602 opgericht om de handel van de Republiek op Azië te stroomlijnen en de winstgevendheid veilig te stellen. Maar spoedig bleek die handel vooral lucratief als hij onder de vlag van een staatsmacht kon worden gedreven; de kooplieden kregen zodoende gezelschap van bestuurders. Tussen de rauwe werkelijkheid van geld verdienen en onderdanen in het gareel houden kwam gaandeweg ruimte voor `hogere' zaken – wetenschap en cultuur bijvoorbeeld.

Zo waren er overzee predikanten die de zorg hadden voor het protestantse zielenheil van de vele duizenden uitgezonden personeelsleden en van de Aziatische christenen in het imperium van de VOC. Sommige predikanten hebben interessante verhandelingen nagelaten over maatschappij en godsdienst in diverse delen van Azië – van de hindoes in India tot de koppensnellers in het oosten van de Indonesische archipel. Andere compagniedienaren schreven indrukwekkende land- en reisbeschrijvingen, bijvoorbeeld over het keizerlijke China en Japan. In 1778 verenigden enkelen van hen zich in het `Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen', dat echter na een veelbelovende start al snel in de versukkeling raakte.

Een discipline die van meet af aan in de belangstelling stond was de botanie. In de Republiek der Nederlanden stichtte Carolus Clusius (1526-1609) in 1595 een hortus aan de Leidse universiteit. Tien jaar later zette hij voor het eerst de botanische wetenswaardigheden van de eerste scheepstochten naar Azië systematisch op een rij. In de decennia na zijn dood doken er overzee regelmatig figuren op die zich eveneens onderscheidden in botanisch onderzoek. Zij deden dit uit pure nieuwsgierigheid of liefhebberij. De twee bekendste voorbeelden zijn Van Reede en Rumphius.

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein (1636-1693) was een telg uit een adellijke Utrechtse familie, die van 1670 tot 1677 commandeur van het gewest Malabar (Kerala in India) was. Hij kwam daar in aanraking met leden van de Brahmaanse priesterkaste, die hij bewonderde om hun kennis van de natuur. Toen vanuit Batavia het verzoek kwam botanisch onderzoek te verrichten, om de medicamentenvoorziening van de VOC te verbeteren, besloot Van Reede zich aan de studie van bomen en planten te gaan wijden. Na een zevenjarig verblijf in Malabar keerde hij in 1684 terug als commissaris-generaal om de corruptie te bestrijden. In 1691 overleed hij in die hoedanigheid op een reis van Malabar naar Surat. Zijn graf is nog in Surat te bezichtigen.

Tussen 1678 en 1692 verscheen Van Reede's twaalfdelige werk Hortus Malabaricus. Het is de eerste, vrijwel volledige beschrijving van de flora in een bepaald gebied in Azië. Het belang van Hortus Malabaricus blijkt uit het feit dat veel wetenschappers na Van Reede het werk als referentiepunt gebruikten. Zo ook Carolus Linnaeus (1707-1778), de eerste die een systematische ordening van de bomen- en plantenwereld tot stand bracht.

Georg Everhard Rumphius (1627-1702) was Duitser van geboorte. Avontuurlijk ingesteld als hij was, nam hij in 1652 dienst bij de VOC. Die zond hem naar Ambon, waar hij na verloop van tijd bestuurder werd van een buitenpost. Vanaf die tijd begon hij systematisch onderzoek te doen naar allerlei aspecten van de natuur, waartoe hij veel van zijn vrije tijd in het bos en aan zee doorbracht. In 1670 werd hij blind. Tot aan zijn dood in 1702 handhaafde de VOC hem echter in de rang van koopman in het gewestelijke bestuur in Ambon-stad. Hij zette hier – met hulp van zijn zoon en een paar door de VOC toegewezen assistenten – zijn werkzaamheden voort en kwam tot een volledige beschrijving van bomen en planten. Hij overleed in 1702 en werd te Ambon begraven.

Rumphius was een wetenschapper van het type homo universalis, het ideaal van de Renaissance. Hij was werkelijk van alle markten thuis. Op het terrein van de natuurwetenschappen zette hij zich aan het Amboinsche kruidboek (flora), het Amboinsche dierboek (fauna) en de Amboinsche rariteitkamer (schelpen en weekdieren). Het dierboek is verloren gegaan, voordat het gepubliceerd kon worden. Het kruidboek en de rariteitkamer zijn beide zorgvuldig samengesteld en van hoog wetenschappelijk niveau. Net als Van Reede vermeldt Rumphius van de soorten de namen in verschillende talen, de uiterlijke kenmerken en ontwikkelingsstadia, en het gebruik door de mens. De rariteitkamer en het kruidboek werden, rijk geïllustreerd, in de 18de eeuw postuum uitgegeven.

Behalve natuurwetenschappelijk werk heeft Rumphius ook nog een Amboinsche Lantbeschrijving en een Amboinsche Historie op zijn naam staan. Deze verhandelingen zijn pas na 1900 in druk verschenen. Zij zijn door hun gedetailleerde weergave van allerlei gebeurtenissen en maatschappelijke situaties een ware Fundgrube voor historici en cultureel-antropologen. Zonder het werk van Rumphius zou een groot deel van de geschiedenis van Ambon thans niet meer te reconstrueren zijn.