Drumeiland

Ter ere van de twintigste sterfdag van Bob Marley liepen vijftienhonderd fans en hardlopers een bloedhete marathon op Jamaica. Pieter Steinz deed mee en ging op bedevaart. Van Marley's huis in Little Bay en de no-go areas van Kingston tot aan de trappen van het mausoleum in Nine Mile. 'There's a natural mystic blowing through the air.'

Negril.

Het is zaterdagmorgen halfzes. Onder de tropische sterrenhemel drommen vijftienhonderd hardlopers samen achter geòmproviseerde hekken. Rasta's uit Jamaica, looptoeristen uit Amerika en wedstrijdatleten uit de hele wereld zien hoe het verkeer op de drukke tweebaansweg tussen de toeristenplaatsen Negril en Montego Bay door agenten in de berm wordt gedirigeerd; het zal uren duren voor het weer verder kan. Terwijl de lopers hun opwarmoefeningen doen, klinken van veraf de doffe drumritmes van een soundsystem, een van de mobiele muziekinstallaties die langs de route staan opgesteld.

Ik sta aan de start van de eerste Reggae Marathon, een wedstrijd van 42 kilometer langs de met hotels bezaaide kust van West-Jamaica die - enigszins verlaat - wordt gelopen ter ere van de twintigste sterfdag van de Jamaicaanse reggaegrootheid Bob Marley (1945-1981). De hommage is passend, zij het op een perverse manier: Marley was behalve een indrukwekkende zanger-componist een fervent sportman, met een passie voor voetbal, en zijn (korte) lijdensweg als kankerpatiënt begon toen hij tijdens een rondje hardlopen in het New Yorkse Central Park ineenzakte. Niettemin zou hij raar opgekeken hebben van het nieuws dat de Reggae Marathon wordt gelopen bij Negril, en niet in het toepasselijk genaamde Nine Mile, waar hij geboren en begraven werd, of in zijn voornaamste woonplaats, Kingston, waarover hij in veel van zijn liedjes zong.

Voor de deelnemers aan de 'Marleython' is het relatief vlakke parcours aan de met palmen en bananenbomen beplante Westkust een zegen. Ook zonder de bergen rondom Nine Mile of de vervuilde lucht van de metropool Kingston is 26 mijl door de tropische hitte zwaar genoeg; zelfs al is er muziek om je vleugels te geven. In 'the Capital of Casual', zoals Negril zich noemt sinds haar negen kilometer zandstrand voor het toerisme ontwikkeld werd, hangt de muziek in de lucht. De lome reggaebeats, rydims in de taal van de rasta's, pulseren je tegemoet uit huizen, in winkels, uit auto's - en dus ook op de route van de Reggae Marathon. Het begint al aan de start, met een optreden van een Afro-Jamaicaanse percussiegroep en daarna de bemoedigende klanken van Bob Marley's hit Jammin ('I and I will see you through [...] Jammin' till the jam is through'). In de kleine dorpjes langs het parcours staan soundsystems opgesteld, waar dj's over stevige reggae heen de merendeels Amerikaanse deelnemers laten kennismaken met 'the real Jamaican vibe', waarbij kennelijk ook de geuren van ganja (marihuana) en jerk chicken (gebarbecuede kip) horen. En op plaatsen buiten het bereik van de muziek worden de lopers onthaald op a-capellagezang van gefl.niformeerde schoolmeisjes die om de kilometer water uitdelen.

One love, one heart, hoor ik, terwijl de temperatuur stijgt en in de lucht boven me John Crows (Jamaicaanse gieren) cirkelen. Let's get together and feel alright. Het is een Marleyliedje uit de jaren '60 dat onlangs door de Jamaicaanse vvv tot alternatief volkslied is uitgeroepen. Als het geluid van het refrein is weggestorven, en mijn voeten hun cadans op het asfalt hebben gevonden, hoor ik in mijn hoofd de onvergelijkelijk mooie stem van Marley, met het licht-klaaglijke timbre, het zangerige Caraòbische accent en de betoverende heesheid. De stem die een revolutie in gang zette, die behalve agressie ook liefde en ontroering kan uitdrukken, en die nu zelfs een steun blijkt in een uitputtingsslag.

Ik kom binnen in een tijd van vier uur en vijf minuten, meer dan anderhalf uur na de winnaar, en een uur te laat om te zien hoe de weduwe Marley, Rita, beeldjes van Bob en haarzelf uitreikt aan de snelste man en de snelste vrouw. Ik ben dan ook niet naar Jamaica gekomen om looprecords te verbeteren, maar om het eiland te bereizen in de voetsporen van de verafgode Bob Marley. De pionier van de reggae - en dus de aartsvader van moderne reggaestijlen als dancehall en raggamuffln - is op het muziekgekke Jamaica alomtegenwoordig. The Right Honourable Robert Nesta Marley o.m., zoals hij hier officieel heet, staat op de kaft van het telefoonboek en lacht je tegemoet vanaf enorme billboards langs de autowegen. Het merendeel van zijn radicaal ge'ngageerde composities, uitgebracht op een tiental studio-albums tussen 1973 en 1980, wordt nog dagelijks gedraaid in openbare gelegenheden en op de nationale radiozender Irie fm. Zijn gedreadlockte hoofd is in de souvenirshops van het eiland te vinden op petten, t-shirts, handdoeken, vloeitjes en koffiekoppen.

Maar is hij meer dan een toeristenmagneet, meer dan de Frau Antje van het Island in the Sun? Doen zijn politieke stellingnames er nog toe, en is hij inmiddels misschien onderwerp geworden van religieuze verering?

Die laatste vraag is niet zo gek als ze lijkt. Want behalve een popster die samen met zijn begeleidingsgroep The Wailers de reggae populair maakte, is Marley ook de belangrijkste verbreider van het rastafarianisme, een christelijk Afro-Caraòbisch geloof dat in de jaren '30 in Kingston ontstond. Voortbordurend op de idee'n van de Jamaicaanse activist Marcus Garvey, die de terugkeer van zwarte Caraòbi'rs naar hun stamland Afrika propageerde, hadden de eerste rasta's de Ethiopische keizer Haile Selassie - die vóór zijn kroning in 1930 Ras (prins) Tafari Makonnen heette - omarmd als de in Openbaringen voorspelde 'Leeuw van Judah', de wedergeboorte van God (Jah). Alleen al door hun subversieve houding, gesymboliseerd door ongeknipte dreadlocks en het veelvuldig gebruik van het heilige kruid ganja, bleven de rasta's een marginale Jamaicaanse sekte, totdat de socialistische oppositieleider Michael Manley in de jaren '70 het rastafaria- nisme als politieke factor ontdekte. Toen hij bij de verkiezingen van 1972 de overwinning behaalde, waren de rasta's in één klap salonfèhig.

Het was Manley's bijna-naamgenoot Marley die de rastafari (spreek uit: rastafuraai) bekendmaakte in de rest van de wereld. In het Kingston van de jaren '60 had hij zich van een montere ska- en rocksteadyzanger ontwikkeld tot een religieuze apostel die een nieuwe muziekstroming, de veel tragere reggae, inzette bij zijn getuigenissen. In dansbare protestsongs als Chant Down Babylon, Burnin' and Lootin' en Exodus verzette hij zich tegen het kapitalistische systeem ('Babylon' in rasta-terminologie), riep hij de verdrukte zwarten op om terug te gaan naar Afrika (Zion), en bewees hij eer aan de 'messias' Haile Selassie, ook nadat die in 1975 onder weinig keizerlijke omstandigheden het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Bij Marley's dood in 1981 wist iedere muziekliefhebber wie de rasta's waren, en had Marley zowel in de Eerste als in de Derde Wereld bekeerlingen die rondliepen met dreadlocks en veelkleurige mutsen en in gewaden. Rood voor het bloed, zwart voor de huidskleur van de Afrikaan, goud voor de hoop en groen voor het vruchtbare land van Ethiopië.

Marcus Garvey werd door rasta's ge'erd als een zwarte Mozes en als de Johannes de Doper die de komst van Haile Selassie aankondigde. Je zou dan ook verwachten dat Bob Marley, de zoon van een blanke legerkapitein en een zwart meisje uit de bergen, binnen het rasta-geloof op zijn minst als een apostel of een heilige wordt beschouwd. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Tenminste, volgens Albert Francis, de drukbezette rasta die als voorzitter van de JamDammers loopclub eindverantwoordelijk is voor de organisatie van de marathon in Negril.

Francis, die sinds zijn verleden als reggaezanger ('Ik heb gespeeld met Bob en drie solohits gehad in de late jaren '70) door het leven gaat onder de naam firano, ziet Marley allereerst als een 'vehicle of social consciousness'. 'Bob was een revolutionair', zegt hij wanneer ik hem na een aantal gemiste afspraken in een lawaaiige strandtent te spreken krijg. 'Hij was de man die de armste Jamaicanen zelfvertrouwen gaf, en ondanks zijn militante houding het rastafarianisme aanvaardbaar maakte voor grote delen van de samenleving. Hij was een vessel of spirituality, maar ook een mens van vlees en bloed, die niets liever deed dan met zijn vrienden voetballen op stranden en parkeerplaatsen. De Reggae Marathon zou hij geweldig gevonden hebben. Bob well pleased mon!'

Frano, die praat in een moeilijk verstaanbare rasta-taal met heel veel ya undastand?'s en ya mon!'s, is een jong ogende vijftiger met een knalgeel t-shirt en een gehaakte tam waaronder zijn dreadlocks verstopt zitten. Hij noemt zichzelf een rasta van het eerste uur die zich zoals zovelen ontwikkeld heeft van een agressieve young dread tot een spiritual non-dogmatic. De strenge voorschriften van het rastafarianisme - geen vlees, geen alcohol, geen wereldse beslommeringen - neemt hij met een korrel zout; belangrijker is de spiritualiteit. Een rasta moet zijn geest verruimen, niet zozeer met behulp van ganja als wel door middel van 'reasonings', een soort gezamenlijke meditatiesessies. Je moet je vooroordelen leren inzien en je eigendunk laten varen om sterker in de wereld te staan. De politieke strijd tegen Babylon heeft niet meer de hoogste prioriteit, zegt firano. 'Als Bob nog leefde, zou hij ook gematigder zijn.'

Met zo'n geseculariseerde opvatting van het rasta-geloof is het niet verwonderlijk dat firano in Marley geen heilige ziet. Maar onontkoombaar is hij wel. 'Iedere moderne reggaester is aan Bob schatplichtig en komt daar ook voor uit. Lauryn Hill, de belangrijkste Amerikaanse hiphopzangeres, is zelfs met een van Marley's zonen getrouwd', zegt hij. Maar van een religieuze Bob Marley-cultus is volgens firano geen sprake. De mensen hoeven niet in zijn voetsporen te treden om nader tot hem te komen - ze kunnen gewoon zijn platen draaien. 'Bob bigger now than ever.'

Little Bay.

Dat Marley op de westpunt van Jamaica geen stromen bedevaartgangers teweegbrengt, blijkt ook de dag na de marathon, bij een uitstapje naar Little Bay. In dit vissersdorpje op tien kilometer van Negril bouwde de zanger-gitarist in 1972 een houten huis, waar hij veel tijd doorbracht met een van zijn vele vriendinnen, en waar hij ook componeerde. Onze reisgids meldt dat 'Bob Marley's Place' als hotelletje wordt ge'xploiteerd, maar de weg ernaartoe is abominabel. Zodra we de doorgaande tweebaansweg naar Kingston verlaten, verdwijnen de richtingborden, en nemen de gaten in het wegdek zowel in getal als in omvang toe. Eenmaal aan de zuidkust vragen we hulp aan een blonde vrouw die aan de weg langs het zandstrand een houten huisje staat te verven - ze is de enige westerling die we in de verre omtrek van Little Bay zijn tegengekomen.

Marley's huis ligt daar op de kaap, wijst de vrouw, die zich voorstelt als Theresa; maar het is al een tijdje met grote hekken van passanten afgeschermd. Het door Amerikanen uitgebate hotel is met succes, zij het na spectaculaire schermutselingen, terugge'ist door Marley's voormalige vriendin, die het op dit moment aan het verbouwen is. Als we er iets van willen zien, zegt Theresa, moeten we over zee met de boot. Haar uit het dorp afkomstige echtgenoot Rupert kan ons wel langsvaren, al is er weinig te zien.

Het ronde huis van Marley, dat we na een slalom tussen golven en riffen op een meter of dertig benaderen, is inderdaad niet de moeite waard - te meer daar het vanaf het rieten puntdak grotendeels is afgedekt met blauw bouwplastic. Onze schipper Rupert, een donkere rasta van onbestemde leeftijd, lijkt interessanter - hij zegt desgevraagd dat hij veel met Marley optrok als die in het dorp verbleef - maar is weinig spraakzaam. Bij terugkomst moeten we van zijn vrouw horen 'hoeveel Marley geleerd heeft van de boeren en vissers van Little Bay'.

Theresa zelf heeft het allemaal niet meegemaakt, want ze overwintert pas een jaar of vijftien in het dorp, maar ze kent de verhalen. 'Marley was een man van het platteland, hij stond open voor de gewone jongens uit het dorp, met wie hij voetbalde, ganja rookte en nadacht over de wereld. Hij maakte ze bewust van het onrecht in Babylon en zette zijn engagement om in tekst en muziek. Voor de real rastas hier is hij nog steeds een held.'

In de verstedelijkte delen van Jamaica ligt dat anders, zegt Theresa wanneer we afscheid nemen. 'De nieuwe generatie is hoogstens in naam en voorkomen rasta. Negril wemelt van de rent-a-dreads, jongens met dreadlocks die de gigolo spelen voor middelbare toeristen; en Marley's muziek heeft het in populariteit allang afgelegd tegen botte dancehall en jazzed-up reggae. Jongeren zijn cynisch geworden. Babylon heeft gewonnen, zeggen ze - if you can't beat it, join it.'

Hope Road, Kingston.

Het contrast tussen het lieflijke Little Bay en de volgende halteplaats op de Bob Marley-bedevaart, Kingston, kon niet groter zijn. De hoofdstad van Jamaica, waar Marley vanaf zijn twaalfde woonde, heeft een miljoen inwoners en twee zakencentra, meet zeven kilometer in doorsnee, is gekmakend druk en wordt gedomineerd door fantasieloos beton en grauwe verkeersaders, waarlangs net zo weinig mensen voor hun plezier lopen als in Los Angeles. In het westelijk gedeelte, waar halverwege de vorige eeuw de oude buurten werden weggebulldozerd om plaats te maken voor betonnen laagbouw, bevindt zich nu een van 's werelds bekendste no-go areas. In West-Kingston, niet ver van de government yard in de wijk Trench Town waar Marley in de jaren '60 opgroeide, kwamen vorige zomer meer dan honderd mensen om bij grootscheepse rellen - drugsruzies en politieke afrekeningen volgens de regering, excessief politieoptreden volgens de bewoners. 'Trench Town Rock. Don't call no cop', zong Bob Marley al sarcastisch in de jaren '70; 'Trench Town Rock. We can trash things ourselves.'

Aan westerse toeristen wordt heel Kingston gepresenteerd als een soort no-go area. In reisgidsen wordt een lang bezoek afgeraden, een dag of twee moet genoeg zijn voor de belangrijkste bezienswaardigheden: de National Gallery, de botanische tuin, een paar gereconstrueerde koloniale huizen, En het Bob Marley Museum aan Hope Road, waar de beroemdste Jamaicaan uit de geschiedenis van 1975 tot 1981 woonde en werkte. Geen wonder dat de minibusjes met toeristen, westerse maar ook Jamaicaanse, af en aan rijden op de parkeerplaats van het oude houten plantershuis, dat als bedevaartsoord herkenbaar is door een beschilderd standbeeld van Marley met gitaar. Voor vijftien Amerikaanse dollars krijg je een rondleiding van een half uur door het huis en kun je kijken naar een fototentoonstelling en een film over Marley's leven. Op 56 Hope Road had Marley zijn eigen opnamestudio, Tuff Gong, maar verder vind je er geen van de luxe statussymbolen die horen bij het popsterrendom - of het zou de kleine 'kruidentuin' moeten zijn, waarin één wietplantje nog wordt gedoogd.

Hope Road was een geschenk aan Marley van Chris Blackwell, de Engels-Jamaicaanse platenbaas die in het begin van de jaren '70 verantwoordelijk was voor de internationale doorbraak van Bob Marley & The Wailers. Marley was op dat moment al een gevestigde zanger, die vanaf 1963 Jamaicaanse hits had gehad met snelle ska-liedjes (mengelingen van Amerikaanse swing en rhythm & blues) en langzamere 'rocksteady' songs, zoals het beroemde Stir It Up. Blackwell gaf Marley het geld en de artistieke vrijheid om een heel album te maken met de nog veel langzamer gespeelde ritmes van de reggae, een genre dat door The Wailers in samenwerking met de beroemde Jamaicaanse producer Lee 'Scratch' Perry was ontwikkeld. Het resultaat was Catch A Fire (1973), een plaat die een voorbeeld zou worden voor alle (witte En zwarte) artiesten - van The Clash tot Manu Chau - die met aanstekelijke muziek wilden getuigen van hun religieus of politiek engagement.

Het opwindende gevoel om rond te lopen in het huis van een van de invloedrijkste figuren uit de geschiedenis van de popmuziek - de associatie met Elvis Presley's Graceland ligt voor de hand - wordt getemperd door het routineuze commentaar van onze verplichte gids. Niet in staat om vragen te beantwoorden of te improviseren jaagt ze ons via de verschillende kamers met relikwie'n (Bobs spijkerjack, Bobs sapcentrifuge, Bobs waterpijp) naar het hoogtepunt van de tour: de bijkeuken waar Bob in december 1976 in zijn arm werd geschoten - de kogelgaten zijn nog te zien in de muur.

De ware toedracht van de aanslag op Marley (en op zijn vrouw en zijn manager die bij hem waren) is nooit duidelijk geworden. De politie hield het op een politieke kwestie, maar hoewel Marley sympathie moet hebben gehad voor de radicale idee'n van de socialistische premier Michael Manley (1972-1980), had hij zich altijd min of meer neutraal opgesteld. Twee jaar na de schietpartij wist hij tijdens het One Love Peace Concert de politieke leiders van de rivaliserende partijen, Michael Manley en de voormalige platenbaas Edward Seaga, ertoe te verleiden om hand-in-hand op het podium te staan. Foto's van dat gedenkwaardige moment zijn te zien op de tentoonstelling in het bijgebouw van het Marley Museum, net als mooie zwart-witreportages van Marley's concerten en van zijn regelmatige bezoekjes aan zijn geboorteplaats Nine Mile.

Alleen Trench Town, de plaats waar Marley religieus en muzikaal werd gevormd, is nauwelijks gedocumenteerd. Het lijkt of de Bob Marley Foundation zich schaamt voor de gettojeugd van de man wiens huis ze exploiteert. En dat terwijl West-Kingston in de jaren '60 nog lang niet de stadsjungle van tegenwoordig was. De goedkope bouwprojecten waren nog niet uitgewoond, en grof geweld was een zeldzaamheid, omdat de People's National Party van Manley en de Jamaica Labour Party van Seaga nog niet waren overgegaan tot het uitdelen van wapens onder hun partijgenoten in West-Kingston. In zijn prachtige ballade No Woman, No Cry, waarin de zanger de vrouw troost die hij al kent uit Trench Town, schildert Marley zelfs een rozevingerig verleden:

I remember when we used to sit

In a government yard in Trench Town

And then Georgie would make a fire light

As it was log wood burning through the night

Then we would cook cornmeal porridge

Of which I'll share with you...

Dat was bijna veertig jaar geleden. Als ik nu na de rondleiding in het museum naar het belendende kantoortje van de Foundation ga, met de vraag of er ook een veilige manier is om Marley's huis in de yards te zien, word ik meewarig aangekeken. 'Dit is geen goede tijd om naar Trench Town te gaan', zegt de mevrouw achter het bureau. Ik kijk op mijn horloge, zie dat het over vieren is, en antwoord dat ik morgen ook nog in de stad ben. 'This not a good time to go to Trench Town', herhaalt de vrouw. 'Maybe next year.' En bij wijze van uitleg mompelt ze wat over vechtende gangs en honderd doden in een jaar. Gelukkig weet een tweede functionaris, Hamilton, wEl een manier om in First Street, Trench Town te komen: in de auto van een ervaren taxichauffeur en onder begeleiding van iemand die West-Kingston op zijn duimpje kent. Nee, niet hijzelf, maar een oude vriend van Bob die in een huisje hier op het erf woont. Misschien ken ik hem wel, hij heet Djadja, en hij komt voor in een van Bobs beroemdste liedjes.

Ik loop met Hamilton mee naar de naast Marley's huis gebouwde keet die ons tijdens de rondleiding al was aangewezen als de woning van een 'friend of the family'. 'Djadja', of, zoals zijn naam geschreven wordt in No Woman, No Cry, Georgie, blijkt de markantste rasta die ik op Jamaica tegenkom. Hij moet ver over de zeventig zijn, maar hij straalt ondanks zijn grijze haar en zijn cylindervormige faraobaard iets leeftijdsloos uit. Om zijn tanige lijf slobberen een kaki overhemd en een kniebroek; zijn dreads zitten half verborgen onder een beige hoofddoek. Hij ziet er niet uit als de mannetjesputter die je nodig hebt in het getto, maar Hamilton verzekert me dat ik bij Georgie veilig ben: 'Hij komt elke dag in Trench Town.' Nadat er een afspraak is gemaakt voor de volgende dag - Georgie zegt weinig dat ik kan verstaan - drukt Hamilton me op het hart 'to take good care of Georgie'. Ik schrik, want juist het omgekeerde is de bedoeling; seconden later begrijp ik dat Georgie een flinke fooi verwacht.

Trench Town.

Vanachter het taxiraampje lijken de chaos en armoede in Trench Town de volgende morgen mee te vallen. Toch is daar eigenlijk weinig van te zeggen, omdat het eerste deel van de wijk wordt begrensd door een hoge muur, met sporadische doorkijkjes in een soort kashba. Op de muur zitten verzorgd geklede Jamaicanen die vrolijk zwaaien en roepen naar Georgie, die uit het raam van de taxi hangt. Rechts van ons, aan de andere kant van een afwateringskanaal (the Trench) van drie meter breed en twee meter diep, komt inmiddels de betonnen laagbouw van de government yards in zicht. We slaan af en houden stil voor een beschaduwd woonerf waarvan de ingang is versierd met twee vlaggenmasten en een spandoek met het gekroonde hoofd van keizer Haile Selassie. Dit is, zo staat tot mijn verrassing op een bord te lezen, de 'Trench Town Culture Yard - Jamaica's First Inner-City Heritage Project'.

Ik word welkom geheten door een niet alleen naar hasj riekende rasta. Hij stelt zich voor als Stoneman, en nadat Georgie en de taxichauffeur zich op een veranda hebben geposteerd met een halve-literfles Red Stripe Beer, gaat hij me voor naar een kantoortje, waar een stapel folders ligt en ook een beduimeld gastenboek met een paar bladzijden namen erin. De Culture Yard blijkt al een paar jaar als attractie te worden ge'xploiteerd, maar veel toeristen heeft ze nog niet getrokken, en dat zal niet liggen aan de hoge entreeprijs. Stoneman, die zijn naam dankt aan zijn verzameling 'magische' stenen, geeft toe dat de mensen terugschrikken voor de tocht naar First Street. Zelfs de Britse kroonprins Charles, die in 2000 een rondleiding van de minister-president kreeg door West-Kingston, waagde zich niet in Kingston 12.

Stonemans rondleiding over het 100 vierkante meter grote woonerf duurt een half uur, en dat is voornamelijk te danken aan het feit dat hij ieder kamertje van de omringende betonnen barakken omstandig van een slot moet ontdoen. Hij begint bij de gemeenschappelijke keuken, 'waar Bob vaak sliep in het bed dat je daar ziet staan' en legt uit dat er 's avonds na het eten op de binnenplaats gemusiceerd werd door de jonge Marley en zijn beste vriend Bunny Livingston. 'Niet ver hiervandaan woonde Peter Tosh, die samen met Bob en Bunny in 1964 The Wailers zou oprichten. Maar de echte vrienden van Bob waren Georgie en Tata, die Bob bijlichtte als hij 's nachts op zijn gitaar oefende. Hier, in dit kamertje, heb ik een tafel ingericht met informatie over Bob, en dit was zijn favoriete boek toen hij hier woonde: een oude National Geographic over 'Modern Ethiopia'.'

Stoneman - nomen est omen - is een warhoofd. Hij vertelt niet dat Bob en zijn moeder helemaal niet hier woonden maar in Second Street, en dat Marley's echte muzikale Bildung plaats had in het Trench Town Music Centre op Third Street. De yard die hij bestiert, is niet meer dan een reconstructie, waar met behulp van onder meer een oude gitaar ('hierop werd No Woman, No Cry gecomponeerd') en een gestrand blauw autobusje ('hiermee hebben de Wailers jarenlang rondgetourd') met veel moeite de herinnering aan Marley levend wordt gehouden. Zelf lijkt Stoneman er ook niet meer in te geloven. Zodra hij het laatste slot heeft dichtgeklikt, probeert hij mij zijn rasta-stenen ('full of signs and symbols') te verkopen. 'Trench Town rocks' noemt hij ze, met een verwijzing naar Marley's beroemde liedje. Op de terugweg naar Hope Road moet ik er nog om grinniken.

Nine Mile.

Er rest één etappe op de Bob Marley-pelgrimstocht - die van Kingston naar het mausoleum in Nine Mile, tachtig kilometer naar het noordwesten. Op 21 mei 1981 was dit ook de weg waarover de kist met het lichaam van Marley naar zijn laatste rustplaats werd gebracht. Honderdduizenden Jamaicanen stonden langs de route, bij Flat Bridge (een stenen brug over de Rio Cobre), aan weerszijden van de weelderig begroeide Bog Walk-canyon, en in Moneague waar de rouwstoet de a1 richting Ocho Rios verliet, om over de kleine bergwegen door St. Ann's Interior stapvoets verder te gaan naar het dorpje waar Marley op 6 februari 1945 in het huis van zijn grootouders was geboren.

Twintig jaar na Marley is dit een helletocht - tenminste, voor de witte bedevaartganger die met eigen vervoer het mausoleum wil bereiken. Als we de zelf- moordchauffeurs van de hoofdweg achter ons hebben gelaten, worden we geconfronteerd met het slechtste wegdek dat we in Jamaica zijn tegengekomen. Voorthotsend met een vaartje van vijftien kilometer per uur en vijandig aangestaard in de halteplaatsen, wordt de gedachte aan een lekke band benauwend. Echt angstig wordt het wanneer we een groepje wegwerkers met kapmessen tegenkomen en een van hen een schoffel onder onze band probeert te zetten. We rijden met onverantwoord hoge snelheid door. Zwetend komen we aan bij het Marley Mausoleum, bij de houten poort van wat toepasselijk genoeg de compound wordt genoemd. Nadat we ons hebben bevrijd van een groep opdringerige ganja-rokers die ons met alle geweld willen rondleiden langs 'de plantage', parkeren we binnen en krijgen we van de poortwachter een rasta-welkom. 'Peace... Love... Unity... Respect', zegt hij, terwijl hij met zijn gesloten vuist op vier verschillende manieren contact maakt met onze gesloten vuist. Het mausoleum is vanaf hier nog niet te zien. Het ligt voorbij het entreegebouw, halverwege de heuvel ('Mount Zion') die we even later in gezelschap van een vriendelijke rasta als enige bezoekers beklimmen. Het stille pad naar boven, met een prachtig uitzicht over de groene bergen, doet denken aan een kruisweg, al was het maar omdat we iedere paar meter voor commentaar stilhouden.

Onze gids heet Fuzzy. Hij spreekt over zichzelf in de derde persoon als over 'the Original Tour Guide', omdat hij samen met Bob opgroeide: 'Ik zat een paar klassen hoger dan hij.' Hij wisselt zijn tekst af met Marley's liedjes. Bij de tweede statie, een bordje 'Mount Zion', zingt hij het 'fly away home to Zion'-refrein van Rasta Man Chant en vertelt hij hoe Bob als baby met zijn moeder naar het huisje op de heuvel verhuisde - het klinkt bijna bijbels. Bij een beschilderd rotsblok waarop Marley in later tijden placht te mediteren, horen we Talking Blues: 'Cold ground was my bed last night/ And rock was my pillow too.' In het piepkleine witte huisje ertegenover - alleen op kousenvoeten te betreden - krijgen we een couplet uit Is This Love: 'We'll share the shelter of my single bed/ We'll share the same room'. En als we na een blik op de simpele woonkamer en slaapkamer en suite weer buiten staan, met uitzicht op Mount Zion, barst Fuzzy los in Natural Mystic: 'There's a natural mystic blowing through the air. If you listen carefully now you will hear.'

De apotheose van de rondleiding is het bezoek aan het mausoleum, een klein wit kerkje op een paar meter afstand van het huis waar Marley tot zijn twaalfde woonde. Voordat hij opnieuw zijn schoenen uitdoet, neemt Fuzzy ons mee naar de zijkant van het gebouw - we passeren twee op de muur geschilderde engelen - en laat hij ons een boom zien die op een meter boven de grond uitloopt in drie stammen. Het blijkt een Egyptische vijg, de enige op heel Jamaica, volgens Fuzzy. Rita Marley plantte hem twintig jaar geleden en in 1988 werd hij 'door de Heilige Vader in de gedaante van Hurricane Gilbert' afgebroken. Maar daarna groeide hij in drievoud uit, 'als een symbool van de Heilige Drieëenheid'.

Fuzzy's grote rode pet gaat nu af, en we volgen hem de paar treden op naar het heilige der heiligen. Een meer dan manshoog stenen graf, bekleed met ruwe marmertegels ('uit Ethiopi'', meldt Fuzzy), domineert een kleine ruimte, waarin gedempt licht valt door gebrandschilderde ramen met een davidster. Op het reliëf van een van de kopse kanten van de sarcofaag is een prentje neergezet van Haile Selassie, aan de muur naast het raam hangen een kleine zwarte madonna en een in Australië uitgereikte gouden plaat voor Marley's album Exodus (1977). We ruiken wierook. Van de gewijde stilte, die alleen wordt onderbroken door Fuzzy's fluisteren, gaat een hypnotiserende werking uit.

'Bob ligt op zes voet boven de grond, gebalsemd zoals de Egyptenaren', legt Fuzzy uit, terwijl hij ons voorgaat in de nauwe gang tussen de muur en het marmer. 'Onder hem ligt zijn halfbroer Anthony, die in 1985 werd doodgeschoten. Op de Afrikaanse gitaar hier in de hoek heeft Bob zijn hele leven gespeeld. De voetbal met afbeeldingen van 52 vlaggen hangt hier als symbool van zijn populariteit in de wereld.' Dan blijft de Original Tour Guide staan en vertelt hij ons 'het ware verhaal van Bobs dood', zoals hij dat hier, bij het mausoleum, hoorde van de verpleegster die hem bijstond in zijn laatste uren. Bob stierf niet in het ziekenhuis in Miami, zoals de boeken zeggen, maar in het vliegtuig dat hem terugbracht naar Amerika na zijn verblijf in een kankerkliniek in Duitsland. 'Hij stierf in de lucht, dicht bij de Hemelse Vader.'

We schuifelen door tot aan een klein altaartje aan de oostkant van de kapel. Voor een kleurig schilderij van Marley als herder tussen zijn schapen brandt Fuzzy een staafje wierook. Rondom het bakje liggen handgeschreven briefjes, votiefplaatjes zou je bijna zeggen, met boodschappen van bewonderaars: 'Jah live', 'Give thanks and praises', 'Haile Selassie is the chapel' - Marley's teksten bieden stof te over voor geschikte epitafen. Wat je zou verwachten, en wat ik niet zie, zijn verzoeken om voorspraak van de muzikale martelaar. Maar Fuzzy haast zich te zeggen dat bij dit altaar wel degelijk om bijstand wordt gebeden: 'People pray. Them got heal.'

Misschien is het de nawerking van de spanningen op de weg naar het mausoleum, misschien is het de 'natural mystic' of het onvermijdelijke sentiment in de nabijheid van een beroemde dode, maar ik merk dat ik ontroerd ben. Hier in Nine Mile, het begin- en eindpunt van een uitzonderlijke carrière, wordt Robert Nesta Marley voor een moment de heilige die hij niet was en niet is. Als ik mijn hand op het ruwe marmer leg, voel ik een aangename gelatenheid over me komen. Natuurlijk, de terugtocht naar Babylon zal niet gemakkelijk zijn. De gaten in de weg blijven even diep, en de vijandigheid in de dorpen zal niet plotseling verdwijnen, net zo min als de agressie van de Jamaicaanse automobilist. Maar één ding weet ik zeker: vanavond zijn we weer veilig in Kingston. M

Pieter Steinz is redacteur van NRC Handelsblad.

[streamers]

De lome rydims pulseren je tegemoet uit huizen, in winkels en uit auto's

Marley ontwikkelde zich van een montere ska-zanger tot een religieuze apostel

In Negril wemelt het van de rent-a-dreads die de gigolo spelen voor middelbare toeristen

De ware toedracht van de aanslag op Marley is nooit duidelijk geworden

Ik word welkom geheten door een rasta die niet alleen naar hasj ruikt

Bob ligt op zes voet boven de grond, gebalsemd zoals de Egyptenaren