`Drie van de vier leidsters halen niet uit een kind wat erin zit'

Hoogleraar kinderopvang Louis Tavecchio (55) leest voor uit zijn e-mail. ,,De leidster van mijn zoon Lucas van twee is naar een andere groep gegaan. Zijn nieuwe leidster vindt hij niet zo leuk. Moet hij nu naar die andere groep? Of mist hij dan zijn vriendjes?'' Louis Tavecchio lacht. Zulke e-mailtjes krijgt hij iedere dag. ,,Adviesbureau L. Tavecchio, voor al uw opvoedingsvraagstukken.'' De volgende ochtend mailde de moeder van Lucas weer, waarom was er nog geen antwoord? ,,Ik schreef terug: u bent de moeder, u kent hem'', zegt Tavecchio. ,,Alles wat ik tegen u kan zeggen is gebaseerd op gemiddelden en algemeenheden. Op de leeftijd van uw zoontje is de opvoedingsrelatie met volwassenen het belangrijkst. Misschien kan uw zoontje nog eens bij zijn vriendjes van zijn oude groepje langsgaan.''

U denkt niet: wat een gezeur?

,,Ik denk: als je zo lang wikt en weegt bij de aankoop van een auto en je vraagt drie keer advies voordat je een hypotheek afsluit, dan mag je best een halfuurtje zeuren over iets dat je kind aangaat.''

Maar maakt het veel uit, bij de ene juf of bij de andere?

,,Wel als je ervan uitgaat dat de eerste drie levensjaren essentieel zijn voor de ontwikkeling, dat kinderen meer zijn dan slapers, eters en poepers. Ze moeten een band kunnen opbouwen met hun opvoeders, ze moeten zich kunnen hechten. En als daar dan forse dingen misgaan...''

Maar is dit dan een fors ding?

,,Nee, dit niet. Maar het siert ouders als ze op hun kind letten. Ze zijn vaak allang blij dat ze plaats hebben in de kinderopvang. Ze vragen zich vaak niet meer af of hun kind er wel geschikt voor is. Het is een luxeredenering, maar ik zou zeggen: neem je kind eens mee naar een verjaarspartijtje en kijk hoe het reageert. Als het niet goed gaat op het kinderdagverblijf, zeggen ouders: sorry hoor, het kan niet anders. Ze zeggen: daar worden ze groot en sterk van, of: ze wennen er heus wel aan, het is goed voor hun sociale ontwikkeling. Ouders vinden altijd wel argumenten voor wat hun het beste uitkomt. Ik zeg niet dat het keiharde onzin is. Maar het kind wordt niets gevraagd.''

Tavecchio onderzoekt al een paar jaar hoe leidsters omgaan met baby's en peuters in kinderdagverblijven. Nu hij hoogleraar is, wil hij ook onderzoeken hoe het gaat met grotere kinderen die 's middags naar de naschoolse opvang gaan. Van die naschoolse opvang, zegt Tavecchio `weten we nog bijna niets'. Maar er zitten wel tienduizenden kinderen op. Wat doen ze daar? Worden ze alleen van de straat gehouden? Of worden ze opgevoed? En willen hun ouders dat dan wel?

Over kinderdagverblijven weet Tavecchio al veel meer. Hij heeft meer dan zestig videobanden bestudeerd waarop leidsters en kinderen in vijfenzeventig kinderdagverblijven gefilmd zijn. ,,Ik zie leidsters die bij het luiers verschonen hun weekendervaringen aan het uitwisselen zijn. Ze kijken naar de kinderen niet om. Hun handelingen zijn volledig geautomatiseerd.''

Is dat erg?

,,Niet als het af en toe gebeurt. Maar als het altijd zo gaat... Het zijn de momenten om een kind aan te kijken, om te praten, om contact te maken. Laat ik het zo zeggen: die leidsters produceren gemiste kansen.''

Ziet u dat vaak?

Hij aarzelt. ,,Ik denk: fifty-fifty. Dat is een optimistische schatting. Ik durf niet lager te gaan. In de helft van de keren zie ik dat leidsters bij het luierverschonen niet met de kinderen bezig zijn, maar met zichzelf.'' Hij aarzelt weer. ,,Ik wil niet veroordelend zijn. Het is geen lekker werk, ik begrijp best dat je liever de andere kant uitkijkt. Het is wel zo, als die leidster het met die luier goed doet, doet ze de andere dingen ook goed. Maar als ze het met die luier niet goed doet, dan hóéft het met de rest niet slecht te zijn. We merken er bijvoorbeeld weinig van als ze een kind niet mogen. Je ziet ze niet denken: dat kind met die snotkoker, gatverdamme, en hij stinkt ook nog. Die knop kunnen ze goed omzetten. Je ziet ze ook vaak lachen en op de hurken zitten.''

Maar?

,,Maar de manier waarop ze met kinderen omgaan is vaak eh... weinig cognitief stimulerend. Een kind speelt met Lego en de leidster denkt: mooi, die speelt, ik ga naar het volgende kind. Je ziet maar heel weinig leidsters die een kind aanzetten tot nadenken en daar de tijd voor nemen. Wat ben je aan het maken? Bouw je een keukentje? Maak je ook een afzuigkap? Weet je eigenlijk wat een afzuigkap is?'' Hij lacht. ,,Het is geweldig als je dat ziet gebeuren.''

Maar het gebeurt niet vaak.

,,Op de banden zie ik één op de vier leidsters het zo doen. Ik denk dat vijfentwintig procent van de leidsters in de kinderdagverblijven hun werk optimaal doen.'' Meteen erachteraan: ,,Dat betekent niet dat vijfenzeventig procent van de leidsters niet goed zijn. Als het om dat stimuleren gaat, doen ze hun werk sub-optimaal. Ze halen niet uit de kinderen wat erin zit.''

Hoe erg is dat?

,,Dat kan ik niet zeggen. Het ideaal is dat een kind een veilige relatie heeft met de leidsters, dat het zich geborgen voelt. Een leidster moet de kans krijgen om zo'n band op te bouwen. Ze moet er meer moeite voor doen, het is het kind van een ander. Daarom moet ze niet voor te veel kinderen tegelijk hoeven zorgen. De kans op een optelsom van kleine dingen die niet goed gaan wordt anders wel heel groot. En dan krijg je een negatief effect op de ontwikkeling.''

Louis Tavecchio heeft zelf drie kinderen, de jongste is 21. ,,Wij hadden een gastmoeder, er was geen kinderdagverblijf. Wij waren tevreden, en de kinderen ook.'' Halen en brengen deed Tavecchio niet veel, zijn vrouw deed `het leeuwendeel van het regelwerk'. ,,Nu vind ik dat jammer.'' Als hij nu kleine kinderen had, zou hij ze twee dagen naar een gastgezin brengen – voor `het huiskamerachtige' – en twee dagen naar een kinderdagverblijf, voor de `speelmogelijkheden' en `de omgang met leeftijdgenootjes'. ,,Ik zou een heel lastige ouder zijn'', zegt hij. ,,Ik zou een uur omrijden voor het allerbeste kinderdagverblijf. Ik zou onverwacht binnenvallen, kijken. Heeft de leidster in de gaten wat Jantje aan het doen is terwijl ze Dientje zit voor te lezen? Ziet ze aankomen dat die twee jongetjes op de glijbaan straks ruzie krijgen?''

Eén op de zes kinderen onder de vier jaar gaat naar een kinderdagverblijf. Eén op de vijfentwintig kinderen tussen de vier en de twaalf jaar gaat naar de naschoolse opvang. Maar dat aantal groeit snel omdat steeds meer ouders allebei werken. Aan het eind van dit jaar wil het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat er plaats is voor één op de twaalf kinderen. Kinderen kunnen erheen tussen drie en zes, op woensdagmiddag en in de vakanties. Ze worden van school opgehaald en dan gaan ze vaak naar hetzelfde gebouw waarin de baby's en peuters worden opgevangen.

Voor kinderdagverblijven zijn er allerlei regels – voor de veiligheid, de hygiëne, het aantal leidsters per kind, en de diploma's die de leidsters moeten hebben. En er komen, vanaf 2004, nog regels bij voor de `pedagogische omgang' tussen leidsters en kinderen, en voor de invloed van ouders op het kinderdagverblijf. Voor de naschoolse opvang zijn er nog bijna geen regels, daarvoor bestaat die nog te kort. Er is wetenschappelijk nog zo weinig bekend, zegt Louis Tavecchio, dat hij nu eerst wil onderzoeken `hoe de opvang daar eigenlijk toegaat'.

Zou u uw eigen kinderen erheen laten gaan?

Hij geeft niet meteen antwoord. Zegt dan: ,,Ik zou er wel mee beginnen. Maar ik zou blijven vragen, blijven kijken of het wel goed gaat. En als het niet goed zou gaan, zou ik een alternatief zoeken. Naar een andere naschoolse opvang gaan. Of de consequentie trekken, en het kind na school thuis houden.''

Zijn de risico's van naschoolse opvang dan groot?

,,Als er excessieve dingen aan de hand zijn wel, ja. Als je ziet dat het niet klikt tussen een kind en de leidsters, of als het kind zich terugtrekt. Dat kunnen signalen zijn dat het niet goed gaat. Of als een kind door andere kinderen wordt buitengesloten of gepest en niemand dat ziet. Een kind moet geen verdrietig kind worden.''

Dat kan het op school ook worden.

,,Ja, dat is het vreemde. Dan is de beleving van ouders anders. Ze slepen hun kinderen de school binnen, of ze er nou ongelukkig worden of niet. School moet. Opvang is een keuze. Daarom slaat bij ouders die hun kinderen naar de opvang laten gaan het schuldgevoel ook zo snel toe.''

Dan maar geen naschoolse opvang?

,,Nee, als we vinden dat vrouwen ook moeten werken, dan moet er naschoolse opvang zijn. Dan is naschoolse opvang de realiteit en dan moeten we er niet meer over zeuren.''

Maar wilt u het ook zo? Vindt u het goed voor kinderen?

,,Daar komt de wetenschapper in mij boven. Ik zou zo graag willen weten of kinderen met een langdurige opvangervaring anders zijn dan kinderen die na school naar huis gaan. Maar ik vraag me af of je grote systematische verschillen vindt, behalve dan in de excessen.''

De realist in Tavecchio vindt dat de naschoolse opvang in Nederland het best net zo geregeld zou kunnen worden als in Zweden. Daar zijn de school, de opvang, de sport, de muziek en de knutselclub één geheel, in één gebouw. ,,Mooi model'', zegt Tavecchio. ,,Iedereen kent elkaar. Het is een net dat om de kinderen gespannen is. Maar er zullen in Nederland niet veel mensen voor te vinden zijn. Mensen denken hier al snel aan staatsopvoeding, en dat is strijdig met onze moederschapsideologie. Daarom zeuren we er nu zo over dat kinderen ook door anderen worden opgevoed.''

En daarom wordt er nu zo gehannest?

,,Nu moet er altijd iets worden geregeld. Je zou veel problemen voor ouders oplossen als er gewoon een goede infrastructuur was. Nu zijn de school en naschoolse opvang gescheiden, daardoor is er weinig overleg tussen opvoeders. In de kinderopvang is er ook weinig overleg tussen ouders en leidsters. Er wordt gepraat over het hapje en het dutje, en dan heb je het wel gehad. Ik zou zeggen: als je je kind ook door anderen laat opvoeden, praat dan eens over wat je wílt met dat kind. Wat wil je bereiken? Wat wil je overdragen? Of het béter is voor een kind, en of je dat kunt aantonen met drie punten vooruit op een schaal van één tot tien, dat kan ik niet zeggen. Maar het is veel leuker en bevredigender als je wel met elkaar over de kinderen praat.''

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar NRC Handelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam.