Drie helse verhuisdagen voor Mister Laden

Het duurt soms even voor je door hebt dat je niet helemaal fris meer bent. Zoals toen ik vorige week na drie verhuisdagen from hell zat uit te blazen in een luxe lunchroom in de Jordaanse hoofdstad Amman. We hadden soep besteld, maar deze bleek lauw. Teruggestuurd, opnieuw geproefd, weer lauw. Teruggestuurd, weer lauw. Weer teruggestuurd, nog steeds lauw. Kom jij eens hier, wenkte ik de ober, schepte wat soep op mijn lepel en duwde daar zijn duim in. Voel dan, lauw. Ik wees naar de theepot. Kijk, zo heet willen we het.

Het was niet alleen dat ik die lepel vervolgens ook nog aflikte (weggooien is zonde). Wat ons vooral aan onze frisheid deed twijfelen was dat het zeker vijf minuten duurde voor mijn vriendin doorhad: dat was eigenlijk best raar van jou. Pas toen besefte ik, ja, dat was best raar. Die ober moet nu in de keuken staan en denken: altijd heb ik gezegd dat die westerlingen best meevallen, maar dit is de druppel. Als er ooit eerlijke verkiezingen komen, stem ik fundamentalistisch.

Drie dagen waren we op dat moment al bezig met de verhuizing van onze spullen van Beiroet naar ons nieuwe huis in het Palestijnse deel van Jeruzalem. Hemelsbreed is dat vier uur rijden, maar Israël en Libanon zijn formeel in oorlog en de grens is dicht. Een verhuisbedrijf inschakelen was ook tricky want de Libanese regering beschouwt ieder contact met Israël als spionage. Omgekeerd doen de Israëlische veiligheidsdiensten moeilijk over zendingen uit Libanon omdat er volgens hen wapenzendingen van Hezbollah in kunnen zitten.

Uiteindelijk zou het kunnen via Cyprus, waar ze dan alle spullen in nieuwe dozen doorsturen naar de Israëlische kustplaats Haifa. Helaas is de Libanese douane in de haven duizelingwekkend corrupt en wil ze voor iedere CD die je uitvoert tien dollar. De Israëlische bureaucratie vereist verder een immense papierwinkel en als die niet geheel in orde is, mogen je spullen niet de haven uit en betaal je zeventig dollar per dag voor opslag. Ook weigerde het Israëlische verhuisbedrijf naar Oost-Jeruzalem te verschepen want daar wonen Palestijnen. Welkom in het Midden-Oosten.

Dus gingen we met een volgeladen taxi via Syrië naar Jordanië, dat wel een open grens heeft met Israël. Vanuit Jordanië zouden we de volgende dag langs de doorgaans vrij lakse Israëlische grensovergang bij de Allenby Brug Israël binnenrijden. Ik zag mezelf al staan tegenover zo'n strenge douanier met mijn satelliettelefoon, gasmasker, tienduizend dollar en een paspoort vol stempels van enge landen. Mister Laden, I presume?

De eerste tegenslag kwam bij de Libanees-Syrische grens. Syrië heeft geen ambassade in Libanon want dat zijn broederlanden. Buitenlanders moeten een visum aanvragen bij de Syrische ambassade in eigen land. Maar in Den Haag zit geen Syrische ambassade dus kunnen Nederlandse toeristen aan de grens een visum kopen. Helaas stond in mijn paspoort een eerder gebruikt persvisum voor Syrië.

,,Transit'', zei ik zo wanhopig mogelijk.

,,Niks transit. Journalisten moeten toestemming hebben van het ministerie van Informatie en dat is dicht."

,,Twintig dollar'', liet ik mijn chauffeur doorgeven.

,,We zullen eens kijken.''

Veertig dollar en vier uur later, reden we met een transitvisum door naar de echte douane. Dat was pas echt spannend want officieel moesten ze een lijst opstellen van al onze bezittingen, hiervan de waarde schatten en dit bedrag in verzekering nemen. Bij het verlaten van Syrië bij de Jordaanse grens, zouden we dat bedrag terugkrijgen. Niet dus, alsof ze daar zulke sommen geld in voorraad hebben, en alsof ze van zins zullen zijn die ooit terug te geven. Dus pakten we het anders aan en reed de auto ongeïnspecteerd maar honderd NRC-dollars lichter een kwartier later langs de besneeuwde bergen van de Golanhoogte. Syrië uitkomen was nog eens honderd dollar en toen konden we even rustig ademhalen want Jordanië is een redelijk net land.

Daarna enorme ruzie met de chauffeur over zijn honorarium, nog een bijna-dood ervaring op weg naar de Jordaans-Israëlische grens nadat een bus bijna achterop ons knalde en toen was de grens opeens dicht. Er waren twee Palestijnse infiltranten gesnapt. We wilden al omkeren toen de grens opeens weer open ging.

In Oost-Jeruzalem wachtte een nieuwe tegenslag: de Palestijnse schilders, loodgieters en timmerlieden die ons huisje opknappen, hadden een week opgesloten gezeten in hun dorpjes. Israëlische veiligheidsmaatregelen, heet dat op CNN. We sloegen alle spullen op bij een vriend, en keerden terug naar Beiroet: taxi naar de grens met Jordanië, dertig dollar exit-tax voor de Israëlische staat, anderhalf uur wachten op een bus, acht dollar belasting in de Jordaanse staatskas storten, en dan onderhandelen met een nieuwe taxi-chauffeur om naar het vliegveld te komen zodat we vandaar naar Beiroet konden vliegen. Het was koud en we waren uitgehongerd. Weet je wat, dachten we, we stoppen onderweg in Amman voor zo'n heerlijke bak dampend hete soep.

Dat hebben we wel verdiend.