De verloren jaren van Kok

Twaalf jaar Kok toont de kracht en de zwakte van het Nederlandse bestel. Ondanks zijn onmiskenbare verdiensten laat hij een omstreden erfenis achter. De vernieuwing die zonder christen-democraten werd nagestreefd, is in haar tegendeel verkeerd. Ook al gaat het om meer dan alleen de malaise van het veelbezongen poldermodel, het is Wim die Pim heeft gebaard, vindt

De opkomst van Pim Fortuyn maakt het de critici van de gevestigde politiek niet gemakkelijk. Graag zou men zijn kritiek op het bleke bestuur en het relativisme willen overdenken, zonder meteen in het kielzog te raken van zijn oproep om de grenzen te sluiten. Wat met de ene hand aan openheid zou kunnen worden gewonnen, wordt zo met de andere hand weer afgebroken.

Dat is de paradox van elk populisme: zowel de omarming als de onderdrukking ervan kan de democratie een slechte dienst bewijzen. Men hoeft het bepaald niet met Fortuyn eens te zijn, om te zien dat het politieke leven door zijn kritiek wordt geprikkeld. Toch kleven er ook risico's aan de huidige kiezersbewegingen in Nederland. Ze tonen een groeiende onzekerheid van burgers, waaraan ook de regeerders zich niet kunnen onttrekken.

Zelfonderzoek is gevraagd, maar daar merken we niets van. Alleen voorspelbare reacties krijgen we voorgeschoteld. De scheuring tussen Leefbaar Nederland en Fortuyn is niet meer dan een schijnoverwinning voor de traditionele partijen. Een parlement waarin hun vragen niet weerklinken, zal bijdragen tot de vervreemding van een deel van het electoraat. Naast die afkerige kiezers zijn er ook velen die zweven en op die manier hun afstand tot het politieke bedrijf kenbaar maken. Die laatste groep is nu goed voor zo'n vijftig zetels.

Waar komt dat populisme vandaan? Waardoor is in tijden van economische voorspoed zo'n vertrouwensbreuk ontstaan tussen de kiezers en de gekozenen? Waarom wordt van hoog tot laag zo neerbuigend gesproken over het parlement? Waarom weten zovelen zeker dat in Den Haag en omstreken een schijnvertoning wordt opgevoerd door politici die als het erop aan komt elkaar van links tot rechts de hand boven het hoofd houden? Voor alle duidelijkheid: dat gevoel is me allerminst vreemd.

Volgens Jos de Beus is er in Nederland op velerlei terrein ,,een schaduwconsensus'' ontstaan. Er zijn nieuwe meerderheden die niet of onvoldoende worden vertegenwoordigd door de vertrouwde partijen, die dan ook van de weeromstuit niet meer worden vertrouwd. Die schaduwconsensus komt nu aan de oppervlakte: veel zwevende of afkerige kiezers zijn teleurgesteld in hun betrokkenheid bij het wel en wee van de samenleving.

Het hedendaagse onbehagen in de democratie is niet zo gemakkelijk te omschrijven, maar acht jaar regering zonder noemenswaardige oppositie heeft zeker de indruk versterkt van een in zichzelf gekeerd partijenbestel. De parade die volgde op Fortuyns kritiek op artikel 1 van de Grondwet – de vuistjes van Melkert met zijn ,,Ne-der-land, word wak-ker'' en Dijkstals bezwaren tegen ,,de bijl aan de wortel van de beschaving'' – bevestigde eens temeer de samenklontering in de wandelgangen van Den Haag. Door de grote woorden klonk luid en duidelijk het eigenbelang.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat de tijd van de grote ideologische controverses achter ons ligt. Het gaat toch vooral om beheer en niet om beginselen. Een toereikend niveau van publieke voorzieningen is wat burgers verwachten. Maar juist op dat terrein heeft de regering het laten afweten. In weerwil van zijn integere stijl heeft onder het bewind van Kok een verwaarlozing van de publieke sector plaatsgevonden die niemand is ontgaan. De litanie over onderwijs, veiligheid, arbeidsongeschiktheid, gezondheidszorg, asielbeleid en openbaar vervoer is inmiddels genoegzaam bekend.

Er is een grote onthechting gaande: de façades van onze instituties staan overeind, maar daarachter heerst de malaise. Een voorbeeld. De kwaliteit van het onderwijs heeft geen voorrang gekregen in de achter ons liggende jaren. Dat werd nog eens duidelijk gemaakt door de benoeming van een zwakke staatssecretaris. Die achteloosheid heeft ertoe geleid dat het onderwijs weliswaar toegankelijk is voor iedereen, maar dat in de scholen steeds minder wordt geleerd. Het gehannes rond het studiehuis is een van de vele voorbeelden. Het zegt veel dat er te weinig leerkrachten worden gevonden. Het gevolg is een harde tweedeling: mensen die het zich kunnen veroorloven, zullen beter onderwijs voor hun kinderen kopen.

Het gaat niet goed wanneer in een tijd van welvaart zoveel achterstallig onderhoud op het gebied van politie en justitie moet worden vastgesteld. Hier zien we bijvoorbeeld de resultaten van jarenlange onderschatting van geweldscriminaliteit, die diep ingrijpt in het leven van het slachtoffer en zijn omgeving. Dat heeft bijgedragen tot een groeiende rechtsongelijkheid, die iedereen zich zou moeten aantrekken. Nog bij het opstellen van het vorige verkiezingsprogramma van de PvdA werden suggesties weggewuifd om te onderzoeken hoe het met de recidive bij deze vorm van criminaliteit staat. Door de VVD is misdaadbestrijding in handen gelegd van een minister die om de dag in het parlement moest komen uitleggen waarom hij van niets wist.

Nog een voorbeeld. De wetgeving op het gebied van de arbeidsongeschiktheid sleept voort na een moedig begin in de zomer van 1990. Kok verwees destijds naar bezuinigingen om de verandering te rechtvaardigen van een regeling die hij als vakbondsvoorzitter in de jaren zeventig en tachtig mee had helpen misbruiken. Dat was een slechte benadering van het probleem. Waar het om gaat is dat de hoge arbeidsproductiviteit hand in hand is gegaan met sociale uitsluiting. Dat overtollige mensen terzijde worden geschoven als arbeidsongeschikt, is niet zozeer een financieel, maar een sociaal probleem. En het is nu juist deze houding die voor zoveel inactiviteit heeft gezorgd.

Op het gebied van asiel en migratie heerst grote onduidelijkheid. Begin jaren negentig voerden Lubbers en Pronk nog een debat over wat toen ,,de kritische grens'' werd genoemd. Het ging om de vraag hoeveel migranten en vluchtelingen we kunnen opnemen zonder de samenleving ontoelaatbaar te belasten. Daar is in strikte zin geen antwoord op te geven, maar duidelijk is wel dat tal van instituties in Nederland kampen met de achterstandsproblematiek van veel migranten. De ongelijkheid en de segregatie zijn de laatste decennia toegenomen. Zo wordt de samenleving een spiegel voorgehouden. Die ervaring moet gevolgen hebben voor het denken over de omvang van migratie en asiel in de toekomst.

Om deze voorlopige lijst van grieven te besluiten: het is geen toeval dat het eerste paarse kabinet er meteen toe is overgegaan de minister van Cultuur af te schaffen en deze te vervangen door een staatssecretaris. Het belang van cultuur – juist in een wereld die zo snel internationaliseert – is niet onderkend. Die desinteresse staat voor meer. Het wordt vaak opgemerkt, juist ook door migranten, dat Nederland op een slordige manier met zijn eigen taal, recht en geschiedenis omspringt. Een dergelijke zelfrelativering is helemaal geen tolerant gebaar, omdat daarmee ook kritische vragen, die zo nodig zijn, niet worden gesteld.

De aaneenschakeling van affaires waarvoor nooit iemand verantwoordelijk is, hoort bij die verwaarlozing. De oogst van de laatste maanden: bouwfraude, hbo-fraude en bolletjesslikkers. Te veel wordt gerekend op de vergeetachtigheid. Na verloop van tijd zal de consternatie wel zakken, zo denkt men. Dieptepunt van paars is natuurlijk Srebrenica. Het geeft toch te denken dat geen enkele politicus uit deze tragedie een conclusie heeft getrokken. Zeven jaar na dato is nog steeds niet werkelijk verantwoording afgelegd.

De kritiek op Kok wint aan scherpte wanneer zijn verdiensten worden omschreven. Als vakbondsvoorzitter heeft hij zijn beweging dienstbaar gemaakt aan het economische herstel. Het afscheid van de polarisatie was terecht en heeft in termen van werkgelegenheid en reductie van het financieringstekort veel opgeleverd. Ondanks die onmiskenbare verdiensten laat Kok een omstreden erfenis achter. De vernieuwing die zonder christen-democraten werd nagestreefd, is in haar tegendeel verkeerd. Het tweede kabinet dat zijn naam droeg staat voor verloren jaren, waarin het gevoel van urgentie afwezig was te midden van het gunstige economische klimaat. Dat verwijt aan Kok en de zijnen ligt velen terecht voor in de mond, het wantrouwen komt ergens vandaan. Kort en goed: het is Wim die Pim heeft gebaard.

Twaalf jaar Kok is een tijd geweest van een groeiende private welvaart en evenzeer van toegenomen publieke armoede. Gebruikmakend van de economische groei heeft Kok de gemakzuchtige tijdgeest iets getemperd, maar niet wezenlijk weersproken. Het denken in termen van markt maakte zich breed en heeft er mede toe bijgedragen dat publieke voorzieningen in het ongerede zijn geraakt. De geïmporteerde cultuur van het bedrijfsleven, inclusief een leger van duurbetaalde interim-managers en consultants, heeft tot een heilloze verwarring geleid bij de overheid. Wat zich op het spoor heeft afgespeeld staat helaas voor meer.

Waarom zou je een stem geven aan partijen die al jaren voor deze verwaarlozing verantwoordelijk zijn? En ten minste even belangrijk: waarom zou je op de gevestigde oppositie stemmen, die niet bij machte is om heldere voorstellen te doen? Want dat is natuurlijk opvallend, niet alleen de regeringspartijen verliezen aanhang, ook de oppositie in het parlement kan niet op de kiezersgunst rekenen.

De toenmalige minister Peper heeft in de zomer van 1999 een poging gedaan om de tekorten van de gevestigde politiek aan de orde te stellen. Zo signaleerde hij een gebrek aan ,,competentie, moed, visie en verantwoording''. Hij zocht het antwoord te veel in staatkundige vernieuwing. De agenda van de Democraten Zesenzestig – inderdaad straks alweer veertig jaar oud – is achterhaald. Niet dat een gekozen burgemeester of een volksraadpleging per se slechte ideeën zijn, vrijwel alle andere Europese landen kennen zo'n systeem. Waar het om gaat, is dat politici die deze kwestie centraal stellen, gewild of ongewild bijdragen aan een naar binnen gekeerde blik. Alle discussie over staatkundige vernieuwing voert de politiek weer tot zichzelf terug.

Het onbehagen in de democratie is tastbaar. Maar anders dan in de jaren zestig staat die weerzin nu niet onder een links-liberaal teken. De kritiek richt zich juist op de elite die is voortgekomen uit de culturele omwenteling van die jaren. Het afscheid van die consensus hoeft niet te leiden tot een knieval voor dwingelandij en behoudzucht. Het moet mogelijk zijn om een nieuwe verhouding te vinden tussen vrijheid en ordening. Sterker nog, de verworvenheden van de jaren zestig kunnen alleen behouden blijven als we meer oog hebben voor de misvattingen die deze tijd heeft opgeleverd.

Zo hoeft de kritiek op het gedogen geen terugkeer te zijn naar de bevoogding van de jaren vijftig. Gedogen kan worden verdedigd als overgangsfase tussen een verbod van vroeger en een wettelijke erkenning in de nabije toekomst. In Nederland heeft het zich echter tot een permanente toestand ontwikkeld. Men kan zich wel tijdelijk in een schemerzone van de wet bewegen, maar het langdurig ontlopen van regels ondermijnt het vertrouwen in de rechtsbeginselen. En iedereen weet dat onzekere mensen niet openstaan voor hun omgeving. De tolerantie wordt niet onderhouden door een overheid die vooral terugtreedt en de dingen op hun beloop laat. Het gedogen heeft een grens bereikt en maakt de samenleving onvrijer.

De huidige omstandigheden vragen om een Bolkestein die een kritische rol speelt in de publieke meningsvorming over belangrijke maatschappelijke vragen; om een Van der Stoel die met stille volharding een opvatting over de mensenrechten dient; en als we in deze regering zoeken: om een Brinkhorst die na jaren van gedelibereer een begin heeft gemaakt met het oplossen van de landbouwcrisis. Kortom, gezagsdragers die niet alleen maar over hun schouder kijken en die op gezette tijden de bestuurlijke binnenkamers weten te weerstaan. In hun onafhankelijkheid ligt een antwoord op het populisme. Zulke politici zijn een verademing vergeleken met de paarse kousenvoeten en brekebenen die nu het beeld bepalen.

Fortuyn maakt een karikatuur van die behoefte. Maar alleen al de commotie rond artikel 1 van de Grondwet bewijst dat er wel degelijk gezocht wordt naar mensen die een verschil maken. Wanneer is er ooit dagenlang hartstochtelijk gesproken over de Grondwet, over de spanning tussen grondrechten als vrijheid van meningsuiting en gelijke behandeling? Het was één lange burgerschapscursus. Er bestaat een onmiskenbare wil tot zelfbespiegeling, die veel te weinig in de hedendaagse politiek is terug te vinden.

Deze dingen moeten worden gezegd en toch schiet zulke kritiek op de gevestigde politiek in Nederland tekort. Naast alle twijfel die je kunt hebben over deze of gene politicus, naast alle woede waar het gaat om uitstel en afstel van keuzes in het beleid, blijft het vermoeden dat we te maken hebben met een dieperliggend onvermogen. Want herhaalt niet iedereen de mantra over onderwijs, veiligheid, vervoer en zorg? Wordt niet overal gezocht naar oplossingen voor institutionele problemen die niet meer beheersbaar blijken?

Sommigen zeggen dat de teleurstelling zo groot is doordat de verwachtingen te hooggespannen waren. Dat is wat veel politici ons voorhouden. De regeerders hebben de afgelopen jaren weinig anders gedaan dan hun eigen rol relativeren, door luidkeels te verkondigen dat de maakbare samenleving iets van vervlogen tijden is. Heeft de ondoordachte keuze voor privatisering en marktwerking niet duidelijk gemaakt dat de politieke klasse van Nederland allang het geloof in zichzelf heeft verloren? De houding is te veel: wie zijn wij om openbare voorzieningen als de spoorwegen, de kabel of de waterleiding te beheren? Eigenlijk gaat het om de ,,arrogantie van de onmacht'', zoals Bas Heijne het noemde, om de afwenteling van verantwoordelijkheden. Zo bezien was het enkel een kwestie van tijd voordat deze zelfverklaarde machteloosheid zichtbaar zou worden voor het kiezersvolk.

Deze ontwikkeling beperkt zich niet tot Nederland. Overal in Europa zien we partijen met een populistische inslag opkomen: in België, Oostenrijk, Italië, Denemarken, Duitsland. Een toenemend deel van de burgers keert zich af van de politieke bovenlaag. Op zichzelf is dat een natuurlijke beweging: stemmingen en coalities wisselen elkaar af. Het hoort bij het zelfcorrigerend vermogen van een open politiek bestel. Werd niet al in de jaren zeventig gesproken over een ,,crisis in de democratie''?

En toch is er meer aan de hand. Waar velen beducht voor zijn, is dat we ons recht op zelfbeschikking langzaam maar zeker kwijtraken en de kern van onze democratie zien verweken. Daarbij hoort de onmachtige indruk die het merendeel van de hedendaagse politici maakt. Wat op het spel staat is het vermogen om met verwerking van invloeden van buitenaf de samenleving naar eigen goeddunken vorm te geven. De zorg daarvoor kan aan niemand worden gedelegeerd. Door het onvermogen een antwoord te vinden op de steeds verdergaande internationale vervlechting dreigen de nationale democratieën uitgeput te raken. Wat men ook van de beweging tegen de `globalisering' mag denken, die is een pregnante uitdrukking van datzelfde probleem.

Europa behoort hierin een wezenlijke rol te spelen. De integratie moet de levensvatbaarheid van de nationale staten dienen. Die dragen immers het geheel. De conflictvermijding die binnen de Unie wordt nagestreefd, zal alleen maar een duurzaam succes zijn als de democratie in de lidstaten verankerd blijft. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen zien we een uitholling van het parlement, die een bedreiging vormt voor een verdere toenadering in Europa. Want alleen samenlevingen met politiek en cultureel zelfvertrouwen staan open voor de buitenwereld. Vooralsnog fungeert de Unie niet of onvoldoende als zo'n beschermende laag en ook daarom is de onzekerheid zo groot.

Het is niet voor niets dat immigratie is uitgegroeid tot zo'n groot onderwerp in de westerse wereld. Het beeld van een volksverhuizing die niemand kan stoppen, staat voor iets algemeners. Het is de samenvatting geworden van het vermoeden dat we leven in een onbeheersbare omgeving. Wanneer Fortuyn zegt ,,Nederland is vol'' – en blijkens onderzoek vindt tweederde van de burgers in de Europese Unie dat de grens aan de opvang van allochtonen is bereikt – dan is daarmee meer gezegd dan een `nee' tegen asielzoekers of arbeidsmigranten of gezinsvormers. Zo worden een dieperliggende onveiligheid en onbehagen verwoord, die serieus moeten worden genomen.

Het gaat erom hoe we een open samenleving kunnen handhaven in een steeds grenzelozer wereld. Dat lijkt op het eerste oog een merkwaardige vraag, want wordt de samenleving niet steeds opener naarmate er minder grenzen zijn en eenieder zich vrijelijk kan bewegen? Toch is dat bij nader inzien helemaal niet zo gemakkelijk en het `Nederland is vol' of de roep om `grenzen dicht' vormen daar een aanwijzing voor. Het zijn leuzen die tot een impasse leiden, en nooit de leidraad kunnen zijn voor de omgang met migranten of vluchtelingen. Maar ze maken wel een probleem zichtbaar.

Een open samenleving wil de democratische omgangsvormen dienen. Wie nu zonder enige nadere uitleg beweert dat we voor de hele wereld open moeten staan, vergeet erbij te zeggen dat we dan ook extreme armoede, religieus fanatisme en etnische oorlog binnen onze grenzen verwelkomen. De diversiteit waar zo vergoelijkend over wordt gesproken als `culturele verrijking', omvat ook de verschrikkingen waartegen we ons nu juist zo graag zouden willen beschermen. Diversiteit is geen waarde in zichzelf, terwijl democratie dat wel is.

De elfde september heeft de kwetsbaarheid getoond van de liberale democratie. Het is nu de kunst om de verdediging van de grenzen in Europa te verenigen met het besef deel uit te maken van een omvattender werkelijkheid. Nederland is niet alleen op de wereld. Al vanaf de koloniale tijd reiken onze bindingen ver. Dat is op zichzelf niet zo'n geweldig nieuw inzicht. Voortdurend ging het om de vraag: hoe kunnen we de eigenheid van deze samenleving verzoenen met de groeiende verwevenheid in de wereld? Wat verwacht mag worden van de belangrijke politici, is dat ze ons een beeld van de Nederlandse samenleving voorhouden waaruit zelfbewustzijn spreekt.

De omgang met immigratie is daarbij een belangrijke toetssteen. Niet alleen stelt het vragen aan onze veronderstelde tolerantie. Zijn we in staat om nieuwkomers te sterken in hun gevoel `dit is nu ook ons land', of blijven de culturele afstanden zo groot als ze nu te vaak zijn? Een laissez-faire-politicus als Dijkstal vertrouwt erop dat de tijd zijn werk zal doen. Toch is meer engagement gevraagd. Slagen we erin een levensvatbaar compromis te vinden tussen humanitaire verplichtingen en de zorg over de te grote migratiedruk? We zijn gevangen in een morele fuik en ook dat versterkt het gevoel van machteloosheid.

Wie naar een ontsnapping zoekt, verplicht zich tot een idee over de manier waarop die migratiedruk structureel kan worden verminderd. Daarom raakt de komst van zovelen naar Europa de kern van de internationale verhoudingen. Maar dat is nu juist zo moeilijk te beïnvloeden, vandaar het onvermogen van politici. Het verder openen van onze markten om de groeiende afstand tussen arm en rijk te verminderen is een onontkoombare stap. Die opvatting snijdt in het economisch eigenbelang. Zo'n hervorming is mogelijk en zal moeten worden gedragen door de maatschappij als geheel. Op die manier zou het denken over de verhouding tussen Noord en Zuid van de welwillende onderneming die het nu is, tot het hart van de politiek gaan behoren. Het is in beginsel wel mogelijk om de samenleving te beschermen zonder te eindigen in een `eigen volk eerst'.

Kok heeft geen bijdrage geleverd aan de meningsvorming over de multi-etnische samenleving en dat kan hem verweten worden. Misschien zal hij met het oog op de huidige kakofonie zeggen dat zwijgen heel verstandig is. Toch waren de keren dat hij wel sprak de verwarring en de verlegenheid maar al te duidelijk. Zo wist hij in april van het vorige jaar dat Nederland geen arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie nodig heeft. In juni kondigde hij onder druk van sommige ministers aan dat Nederland zulke immigratie dringend nodig heeft om de vergrijzing tegen te gaan. In september was hij alweer van mening veranderd en deelde mee dat er geen groot nationaal debat nodig is omdat ons land geen arbeidsmigranten nodig heeft. Misschien bedoelde hij dat het onderwerp vóór de verkiezingen beter onbesproken kan blijven. Maar mogen de kiezers zich uitspreken over zo'n belangrijke kwestie?

Twaalf jaar Kok toont ons de kracht en zwakte van het Nederlandse bestel. Als geen ander vertegenwoordigt hij het vermogen tot conflictvermijding en dat maakt van Nederland een betrekkelijk vreedzame samenleving. Dat is een groot goed. Maar de improductieve kant van die houding wordt ook met de dag duidelijker: de conflictvermijding is tot een algehele vermijding geworden. Netelige kwesties worden weggeschoven. Kok had van zijn bovenpartijdige positie gebruik moeten maken om af en toe een grens te trekken. Dat heeft hij niet gedaan en zijn afwachtende houding heeft de onzekerheid uiteindelijk groter gemaakt.

Dat die onzekerheid een bredere bedding heeft, is wel zeker. Het gaat om meer dan alleen de malaise van het veelbezongen poldermodel en de politici die dat belichamen. Dat stemt ongemakkelijk: tot wie moet je een verwijt richten? De teloorgang van de traditionele partijen – volgens sommigen maken we zelfs het einde van de vertegenwoordigende democratie mee – maakt het moeilijk om nog te kiezen. Die dieperliggende crisis wordt zichtbaar in de opkomst van populistische stromingen, waarvan Berlusconi nu de belangrijkste exponent is.

Mijn bezwaren richten zich gelijkelijk tegen de macht èn tegen de onmacht van de politieke klasse. De controlerende taak van het parlement wordt verwaarloosd: te veel misstanden worden zelfgenoegzaam onder het tapijt geveegd. En tegelijk bestaat in regering en parlement onvoldoende greep op de inrichting van de samenleving. Het onvermogen overheerst. Wie het populisme wil bestrijden, moet begrijpen waaruit het voortkomt, namelijk de verwaarlozing van het publieke domein. Dat is niet onopgemerkt gebleven, maar de politieke bewegingen die zich nu meester maken van dat onbehagen, zijn de mijne niet. Ik zou graag mijn stem willen uitbrengen, maar ben tot op heden door geen enkele partij overtuigd. Voorlopig blijf ik op 15 mei thuis.

Paul Scheffer is publicist.