DE SERVISCHE VERLIEZERS

Voor de Serviërs in Kosovo is de oorlog nog lang niet voorbij. Sinds de NAVO in 1999 de Albanezen aan de overwinning hielp, moeten de Serviërs boeten voor hun collaboratie met Milosevic. Ze zitten vast in omsingelde enclaves en verplaatsen zich in een bewaakte trein. Een toekomst hebben ze niet.

Op het station van Lipjane maakt het donker van de nacht snel plaats voor het grijs van de ochtend. Uit de mistige velden doemt een handvol oudere mannen en vrouwen op, ingepakt in gebreide truien en vesten. Ze dragen lege tassen. Die tassen zullen vanmiddag, als de trein hen terugbrengt naar hun enclave, gevuld zijn met melk, yoghurt, suiker, paprika, ui. Een enkeling zal koffie meebrengen. Want koffie is duur.

Het is kwart over zes in de ochtend, min zes graden. Koude wind en flarden mist waaien door de kapotte ramen in de wagons. De passagiers, voor het merendeel Serviërs, reizen per trein door Albanees gebied in Kosovo. Ze gaan boodschappen doen in Servisch gebied of hun familie bezoeken in andere enclaves. Twee opgedofte vrouwen stappen in met een zelfgebakken verjaardagstaart op een dienblad, compleet met suikerhuis en suikerhondje. Bij iedere schok van de trein steken ze het dienblad angstvallig naar voren.

Pantybenen

De reis is geen sinecure. De Serviërs in Kosovo leven onder voortdurende dreiging van Albanese aanslagen. 'Dit is de enige manier om te reizen', zegt de Servische Dobrinka gelaten en wrijft haar pantybenen warm. Veel ruiten in de trein zijn verbrijzeld. Albanese kinderen gooien regelmatig stenen naar de passerende wagons. Sinds enige tijd moet gehard plastic achter de kapotte ramen voorkomen dat stenen naar binnen vliegen. Maar ondanks het plastic mogen de reizigers niet voor de ramen staan. 'Voor alle zekerheid', zeggen de buitenlandse soldaten, belast met de bewaking van de trein, geruststellend.

De veiligheidsmaatregelen zijn streng. In de Albanese dorpen staat een tank naast het perron, de in het zwart gehulde militaire politie van kfor, de vredesmacht in Kosovo, houdt de vinger aan de trekker. Op de trein zelf reizen Griekse soldaten mee om de Servische passagiers te beschermen tegen Albanezen.

De andere reizigers bevestigen Dobrinka's relaas. Wolkjes damp ontsnappen uit hun mond. 'De trein is ons enige vervoermiddel. Zonder de trein komen we nergens.' Over de weg durven de meeste Serviërs niet. Is dat leven? 'Tsja', antwoorden de reizigers op die vraag. Of 'ach'. Of 'zo is het nu eenmaal'.

78 dagen oorlog

In de zomer van 1999, op die bloedhete twaalfde juni, werd Kosovo 'bevrijd' door de navo. Twee dagen eerder had het Joegoslavische leger zich overgegeven. Daarmee kwam een einde aan de navo-luchtoorlog tegen Joegoslavië - in het bijzonder tegen Servië en de toenmalige Joegoslavische president Slobodan Milosevic, die nu in de Scheveningse gevangenis van het Joegoslaviëtribunaal zit. Het was het eerste militaire ingrijpen in het bestaan van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. De oorlog had 78 dagen geduurd.

De Verenigde Naties vestigden een eigen 'tijdelijk' bestuur in Kosovo. De navo vormde een vredesmacht, kfor (Kosovo Force). Maar de Servische bevolking in Kosovo had geen vertrouwen in de buitenlandse bescherming; na de intocht van de navo en de vn ontvluchtten ze hun huizen. Ze stouwden hun krakkemikkige Zastava's en Yugo's vol met familieleden en familiebezitttingen: foto-albums, keukengerei en dekens op schoot, matrassen en de koelkast op het dak. Zo kon je hen in de dagen na de bevrijding zien gaan, angstig bij elkaar hokkend, in zelf georganiseerde konvooien. Want zij wisten wat de internationale gemeenschap niet wenste te weten: dat de wraak van de Albanezen onafwendbaar was.

Sinds die dag in juni zijn tweehonderdduizend Serviërs Kosovo ontvlucht, worden zo'n dertienhonderd Serviërs vermist en zijn er tientallen Serviërs vermoord. Sommige aanslagen haalden het internationale nieuws. De raket bijvoorbeeld die werd afgevuurd op een bus van de vn-vluchtelingenorganisatie unhcr, waarbij een bejaard Servisch echtpaar werd gedood. Of de bom die tot ontploffing werd gebracht toen een bus met Serviërs voorbijreed. Hun ledematen hingen uit het verwrongen staal.

'Alleen in de trein voel ik me veilig', zegt Dobrinka. Buiten trekken stenen huisjes met gebarsten schoorstenen voorbij. Op de erven lopen varkens, kippen en ganzen. De ganzen bewaken het erf, de kippen leggen de eieren, de varkens eten de maòs, de mensen eten de varkens. De Serviërs zijn zelfvoorzienend geworden, gedwongen tot een leven binnen de lemen muren van het erf. Maar Dobrinka heeft meer belangstelling voor de Griekse soldaten. Ze lacht en knipoogt naar een van hen, die net nog naar een collega blafte omdat hij zonder helm uit het raam hing. 'Vorige week kreeg ik een steen op mijn hoofd', zegt hij vermanend. 'Maar gelukkig had ik mijn helm op.'

Tijdens de oorlog lag het treinverkeer in Kosovo stil. Toen de trein richting Servië weer ging rijden, ruim anderhalf jaar geleden, werden de Albanezen zo kwaad dat ze de spoorlijn opbliezen. In die tijd hing een gevechtshelikopter boven het krakende gevaarte en scheurden buitenlandse soldaten in hun jeeps naast de trein mee. De Serviërs lieten zich ook niet onbetuigd. Toen kfor een Albanese machinist op de trein liet rijden, trokken ze een pistool uit hun broekriem en schoten op de wagon. Sindsdien zitten buitenlandse machinisten op de bok.

Heilige grond

Het volgende station is Kosovo Polje. Voor de Serviërs is Kosovo Polje heilige grond. Hier werd in 1389 de Slag op het Merelveld tegen de Turken uitgevochten. Hier verkoos koning Lazar volgens de legende een hemels boven een aards koninkrijk. Hij maakte de Serviërs zo tot een uitverkoren volk - maar hij maakte hen ook voor honderden jaren onderworpen aan het gehate Ottomaanse Rijk.

Van die legendarische roem is weinig terug te vinden. Tegenwoordig is Kosovo Polje vooral berucht om zijn stank. De nabijgelegen elektriciteitscentrale braakt onophoudelijk zijn dampen uit. In de winter, als de mist stil over de velden hangt, vult een gelige, penetrante lucht de straten. Zwaveldamp, zeggen de inwoners en ze kuchen nog een keer.

Kosovo Polje is een gemengde stad: 34.288 Kosovo-Albanezen en 3.706 Kosovo-Serviërs. De Servische inwoners voelen zich niet op hun gemak. Ze worden geòntimideerd. Albanese jongemannen rijden toeterend langs hun huizen terwijl ze hun vinger langs hun keel halen. Kinderen gooien stenen naar hun huizen. Schoonmaakster Marija verscheen vorige week met een blauwzwart oog op haar werk. Ze stond achter het keukenraam toen er een steen doorheen vloog.

'De kinderen', menen buitenlandse waarnemers in Kosovo Polje, 'zijn een regelrechte plaag.' Als de school om drie uur 's middags uit gaat, begint het gedonder. Hordes kinderen trekken langs de Servische wijk om stenen te gooien. Er was zelfs een gang van meisjes actief. De politie kan er weinig aan doen, want de stenengooiers zijn minderjarig. Ze heeft wel gesprekken gevoerd met de ouders, maar dat heeft weinig opgeleverd. 'We vermoeden dat de kinderen worden opgestookt door ouderen, die sturen hen omdat ze geen straf kunnen krijgen', zegt een waarnemer.

Svetlana komt haar woning al lang niet meer uit. De Servische vrouw leeft in een barak van de meelfabriek. Vroeger hielden de klerken er kantoor, nu wonen er Servische vluchtelingen uit Kosovo, meest vrouwen. Svetlana komt uit het zuidelijk gelegen Prizren. Op haar vlucht naar Servië strandde ze in Kosovo Polje en besloot te blijven. Haar dag is een aaneenschakeling van lamlendigheid. 'Ik sta op, was me bij de kraan, drink koffie, poets mijn kamer, bak brood, kijk televisie, praat met de andere vrouwen, ga naar bed.' Naar buiten gaan de vrouwen niet uit angst voor de Albanezen. Hun tijd verdrijven ze met schoonmaken. Het vluchtelingencentrum glimt als een spiegel. Af en toe brengt een hulporganisatie voedselpakketten.

Svetlana's ogen gaan glimmen als ze praat over 'mijn drie Noorse soldaten'. Die brachten haar koffie, chocolade - en vooral afleiding. Maar toen hun tijd erop zat, keerde het saaie leven terug. Ze kan zich niet herinneren wanneer ze zich voor het laatst buiten de tuin van de barakken heeft begeven.

Dat geldt ook voor de twaalf Servische vrouwen in de voormalige basisschool van Kosovo Polje. Ze wonen al maanden in de gymzaal. Hun bed staat met het hoofdeinde tegen de radiator. Daaromheen staan stapels tassen met de tastbare restanten van hun leven. Verder heeft iedereen een stoel en een tafel; daarop prijken orthodoxe heiligenbeeldjes en vergeelde foto's van familieleden. Zo leven ze, dag en nacht in het zicht van elkaar, zonder zelfs maar een gordijn om hun bed.

Kosovo zonder Serviërs

Heeft de internationale gemeenschap genoeg gedaan om de Serviërs in Kosovo te beschermen? 'Nee', zegt de Nederlander Daan Everts, van medio 1999 tot eind 2001 hoofd van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (ovse) in Kosovo. 'De internationale gemeenschap heeft het Servische probleem aanvankelijk onderschat. Ze was deels gepreoccupeerd met de terugkeer en de rehabilitatie van het Albanese deel van de bevolking en hun verwoeste huizen en ze had deels een houding van 'jullie hebben het er zelf naar gemaakt'. Die houding sloeg weliswaar om toen het geweld tegen de Serviërs aanhield, maar de internationale politie heeft gebrekkig opgetreden en de rechtspraak was volstrekt ontoereikend. Bovendien waren de lokale rechters bevooroordeeld. Nu worden internationale rechters ingevlogen om recht te spreken.

Door de tijd heen is de bezorgdheid over het lot van de Serviërs in Kosovo toegenomen en is de kritiek op de Albanezen verscherpt, zegt Everts. 'Een Kosovo zonder Serviërs zou immers neerkomen op een failliet van het doel om een multi-etnische samenleving in stand te houden.' Maar voor veel Serviërs kwam die mentaliteitsverandering te laat. Zij waren al vertrokken, met achterlating van veel van hun bezittingen.

Ook de waarnemers van het Kosovaarse kantoor van de International Crisis Group, een onafhankelijke denktank, laken het optreden van de internationale gemeenschap. 'De navo en de Verenigde Naties hebben onvoldoende gedaan', zeggen ze, maar ze willen wel een kanttekening plaatsen. 'Want de internationale gemeenschap had dit probleem nooit perfect kunnen oplossen. Dat is fysiek onmogelijk.' Ze bedoelen: je kunt niet naast iedere Serviër in Kosovo een navo-soldaat zetten.

Twee bruggen

'Bullshit!' Dreunend landt de vuist van Oliver Ivanovic op zijn bureau. 'We hebben nooit gevraagd om een soldaat naast ieder Servisch huis.' We - dat zijn de Kosovo-Serviërs in het algemeen en de Servische Nationale Raad in het bijzonder. Oliver Ivanovic is voorzitter van de raad, die is gevestigd in de noordelijk gelegen stad Mitrovica.

Mitrovica is een verhaal apart. De stad is verdeeld tussen Albanezen en Serviërs. De Albanezen wonen in het zuiden van de stad, de Serviërs bevolken het noorden. Beide bevolkingsgroepen worden strikt van elkaar gescheiden door de rivier de Ibar en door tientallen Franse kfor-soldaten. Die hebben de twee bruggen over de Ibar veranderd in onneembare vestingen.

Vanaf het begin hebben de Fransen de grootste moeite om de kemphanen uit elkaar te houden. Regelmatig zijn er rellen in de straten van Mitrovica. Dan willen Albanezen naar de overkant om de Serviërs een lesje te leren, die hen daar joelend staan op te wachten. Alleen met veel militair vertoon, inclusief waarschuwingsschoten en schokgranaten, heeft kfor beide groepen tot nu toe uit elkaar weten te houden.

Het gebied ten noorden van Mitrovica is in handen van de Kosovo-Serviërs. Bijna alle dorpen zijn Servisch. Van de circa honderdduizend Serviërs die volgens Ivanovic zijn achtergebleven, wonen er zestigduizend ten noorden van de stad aan de Ibar. De argeloze bezoeker waant zich hier in Servië. De mensen spreken Servisch, de winkelopschriften zijn in het Cyrillische alfabet, de klanten betalen met Joegoslavische dinars. En in de koffiehuizen klinkt de muziek van Ceca, de vrouw van de beruchte Servische paramilitaire leider Arkan die de Albanese bevolking in Kosovo terroriseerde, totdat hij in februari 2000 in de lobby van een hotel in Belgrado werd neergeschoten. Elders in Kosovo luistert men naar Jennifer Lopez, wordt het Latijnse schrift gebruikt en gaan de betalingen in euro's.

De gramschap van Oliver Ivanovic geldt vooral de internationale troepenmacht. 'kfor is niet bereid de Albanese extremisten aan te pakken. Ze wil haar manschappen niet in gevaar brengen. Maar de navo heeft een zeer verantwoordelijke missie op zich genomen en moet zich daar naar gedragen.' De donkere ogen van Ivanovic schieten vuur. 'Veel vraag ik niet', zegt hij, 'alleen een strenge veroordeling van het geweld tegen de Serviërs en de arrestatie en de berechting van de daders. Maar zelfs dat is al te veel gevraagd', besluit hij zuur.

Strategische koop

Sinds enige tijd kampt Kosovo met een nieuwe vorm van intimidatie, die bij de vn-bestuurders in Kosovo bekendstaat als 'strategische koop'. Je vindt dit verschijnsel in gemengde steden als Pristina, Gnjilane en Kosovo Polje. Strategische koop werkt als volgt. Serviërs, die bij elkaar hokken in een wijk, hebben vaak maar één uitvalsweg naar buiten. Op de hoeken van deze uitvalsroute kopen Albanezen nu voor torenhoge prijzen huizen op. In Kosovo Polje verkocht een Serviër onlangs zijn huis en zijn grond voor vijfhonderdduizend mark - op de Balkan een godsvermogen.

Een voorbijganger wijst het huis aan, een krakkemikkig pand met slechts één verdieping. Het pleisterwerk valt van de muren, de deur hangt scheef in de scharnieren. Maar het huis staat op de hoek van de uitvalsroute naar de hoofdweg. En die hoofdweg leidt naar belangrijke voorzieningen als het ziekenhuis, de politie en de school. De Serviër die naar het ziekenhuis wil, moet tegenwoordig langs een Albanees huis de hoofdweg opdraaien.

Zijn een aantal huizen op strategische plekken opgekocht, dan beginnen de nieuwe buren te intimideren. Ze rijden schreeuwend door de straat of draaien heel hard Albanese bevrijdingsliederen. De Serviërs worden bang. Meer Serviërs verkopen hun huis. De Servische wijk wordt uitgeknepen als een citroen in een pers. Ze loopt leeg. De achterblijvers, de standvastigen en de koppigen, zijn de verliezers. Op het laatst voelen ze zich niet langer veilig en besluiten ook zij hun eigendom te verkopen. Maar dan krijgen ze nog maar tienduizend mark voor hun huis.

Eigenlijk is de strategische koop niet nieuw. Al in de jaren '80 kochten Albanezen de huizen van Serviërs op. Wel nieuw is dat het internationale bestuur zich ermee is gaan bemoeien. Dat bestuur is van oordeel dat zo een mensenrecht wordt geschonden. Kosovo mag niet etnisch worden gezuiverd onder de neus van de vn. En dus heeft het vn-bestuur in Kosovo, unmik, een wet uitgevaardigd dat alle verkopen voortaan bij een speciale gemeentebestuurder moeten worden aangemeld. Deze onderzoekt of er sprake is van strategische koop.

Maar de Kosovo-Serviërs, de onderliggende partij in het conflict, zijn ontevreden over de wet. 'Waarom mogen we het geld niet grijpen en vertrekken', zegt een Servische voorbijganger in Kosovo Polje. 'In Servië leef ik als een vorst van dat geld!' Bovendien stuit de uitvoering van de wet op praktische problemen. 'Hoe voorkomt unmik dat koper en verkoper bij de gemeentebestuurder aangeven dat het huis is verkocht voor 50.000 mark, terwijl ze de rest van het bedrag ondershands regelen?'

En waarom zouden ze trouwens blijven? Tweehonderdduizend Kosovo-Serviërs zijn sinds de 'bevrijding' vertrokken. De meesten gingen naar Servië. Zo'n honderdduizend zijn hier achtergebleven. Ze leven in het noorden van Kosovo of in getto's op het land, door de internationale gemeenschap eufemistisch 'enclaves' genoemd. In het nieuwe Kosovo, zo menen ze, is geen plaats voor hen.

De nieuwe Albanese politieke elite laat er geen misverstand over bestaan dat het 'bevrijde' Kosovo onafhankelijk moet worden. Op dit moment maakt Kosovo nog deel uit van Joegoslavië, maar als het aan de Albanezen ligt, duurt dat niet lang meer.

Dit is het scenario dat de buitenwereld vreest - en niet alleen wegens de hachelijke positie van de Serviërs in Kosovo. Want toegeven aan de eisen van de Albanezen kan leiden tot meer onrust in de regio. Er zijn immers meer bevolkingsgroepen die zelfstandig willen worden. Een deel van de Montenegrijnen wil zich afscheiden van Joegoslavië, de Albanezen in Zuid-Servië willen zich aansluiten bij Kosovo en ook de Albanezen in West-Macedonië hebben plannen. Een onafhankelijk Kosovo sterkt hen allemaal in hun voornemens.

Gedwongen volksverhuizingen

Het is niet voor het eerst dat de Serviërs uit Kosovo worden verjaagd. Het gebied kent een lange geschiedenis van gedwongen volksverhuizingen. Volgens Albanese geschiedschrijvers begon die lang geleden met de verdrijving van hun voorvaderen, de Illyriërs, door barbaren. En daar ligt meteen het eerste meningsverschil. Want de Serviërs zijn uiteraard van mening dat de Albanezen pas ná hen naar Kosovo zijn gekomen. En zij kwamen volgens eigen zeggen al aan het einde van de zesde eeuw.

Het is een eeuwig verhaal. Zijn de Albanezen aan de macht, dan worden de Serviërs Kosovo uitgejaagd en omgekeerd. Na de Eerste Wereldoorlog, zo schrijft Balkan-kenner Raymond Detrez in zijn boek Kosovo, de uitgestelde oorlog, werden Servische, orthodoxe kolonisten aangevoerd om Kosovo te verserbizeren. De islamitische Albanezen werden naar Turkije verbannen.

In de Tweede Wereldoorlog werden de kolonisten op hun beurt verdreven of tewerk- gesteld door Albanezen die vochten aan de kant van de Italiaanse fascisten. Na de capitulatie van de Italianen werden ook Servische autochtonen uit Kosovo gejaagd - al leiden schattingen over hun aantal steevast tot grote ruzie tussen beide bevolkingsgroepen. Na de - Duitse overgave moesten de Albanezen in Kosovo boeten voor hun 'collaboratie'.

Onder de communistische leider Tito keerde de rust terug in Kosovo. Het gebied werd in 1974 een autonome provincie en ging formeel deel uitmaken van Servisch grondgebied. Binnen het communistische Joegoslavië bleef Kosovo een van de armste gebieden. Dat leidde opnieuw tot het vertrek van Servische en Albanese jongemannen, die elders hun heil zochten.

In 1989, negen jaar na de dood van kameraad Tito, maakte de communistische partijleider Slobodan Milosevic een einde aan de rust. Tijdens een bezoek aan Kosovo Polje, die legendarische, stinkende plaats, hield hij een speech die beroemd zou worden. 'Dit volk zal door niemand meer worden geslagen', riep hij. De menigte Serviërs werd wild. 'Nooit', schreeuwden ze.

Voor de Albanese bevolking braken slechte tijden aan. Politici, wetenschappers en journalisten werden gearresteerd, werknemers en masse op straat gezet. Milosevic stuurde meer Servische agenten en militairen naar Kosovo die bovendien harder optraden. Opnieuw vertrokken duizenden Albanese jongemannen, dit keer niet naar Turkije, maar naar Amerika, Duitsland en Zwitserland. Tegelijkertijd arriveerden duizenden nieuwe Servische kolonisten uit andere delen van Joegoslavië. één van hen was Ivana.

Verkeerde keus

Het lot is Ivana ongunstig gezind. In het begin van de jaren '90 verlaat de jonge Servische vrouw haar geboorteplaats Sarajevo, vlak voor het beleg van de Bosnische hoofdstad dat drie jaar zal duren en duizenden slachtoffers zal eisen. Maar Ivana kiest verkeerd: ze gaat naar Kroatië dat op het punt staat een oorlog te beginnen met Servië en dat de Servische Ivana kan missen als kiespijn.

Met vele andere Serviërs wordt ze uit Kroatië verdreven. Ivana trekt naar Servië, dat overspoeld wordt met vluchtelingen. Ivana vindt onderdak in een vluchtelingencentrum. Op een ochtend commanderen onbekende mannen haar en andere vluchtelingen in een vrachtwagen plaats te nemen. 'Ik had geen idee waar we heen gingen', zegt ze nu. Als de truck stopt, blijkt ze in Kosovo te zijn.

Kosovo staat dan aan de vooravond van een oorlog. De pacifistische Albanese leider Ibrahim Rugova trekt over de hele wereld om de zaak van de Kosovaarse Albanezen te bepleiten, maar de internationale gemeenschap is vooralsnog niet van plan zich in dat wespennest te steken. Ondertussen neemt de Servische repressie in Kosovo toe en groeit het ongeduld onder de Albanese bevolking, met name onder jonge, werkloze mannen.

Zo blijkt Ivana in de volgende Balkanoorlog te zijn beland. Ze probeert zo goed mogelijk te overleven in een strijd die de vorm van een guerrilla aanneemt. Ze krijgt daarbij hulp van Tomica, een eenvoudige jongen uit Kosovo Polje. Samen krijgen ze twee kinderen.

In het voorjaar van 1999 verliest de navo zijn geduld. Het bondgenootschap bombardeert Servië en Servische doelen in Kosovo. Slobodan Milosevic reageert volgens de geschiedenisboekjes: zijn manschappen jagen de Albanese bevolking Kosovo uit. Binnen enkele weken trekken honderdduizenden Albanezen over de grens met Macedonië en Albanië. Niet ver van de grensovergangen verrijzen enorme vluchtelingenkampen. Die oorlog wordt uiteindelijk door de navo en de Albanezen gewonnen. En dus moeten de Serviërs in Kosovo boeten voor hun 'collaboratie'.

Dat merken ook Ivana en Tomica. Het echtpaar woont met hun kinderen in een klein huisje naast het ouderlijk huis van Tomica in Kosovo Polje. Tomica slijt zijn dagen op en rond het erf, want naar het centrum van de stad durft hij niet te gaan. Ivana laat zich 'niet op de kop zitten'. Ze is laatst naar de tandarts geweest. Een Albanese tandarts notabene.

Eigenlijk wil het echtpaar weg. Tomica heeft geen werk, Ivana knapt af en toe klusjes op voor een internationale organisatie. Maar waar moeten ze heen? Ivana's geboorteplaats, Sarajevo, is na het einde van de oorlog in Bosnië (1992-1995) grotendeels in handen van Bosnische moslims gekomen. Die zitten niet op een Servisch gezin te wachten. Tomica heeft al helemaal geen idee; hij heeft in zijn hele leven nog nooit een voet buiten Kosovo gezet.

Draaiende cementmolen

Ondanks de sombere vooruitzichten beginnen de eerste tientallen Serviërs naar Kosovo terug te keren. Mondjesmaat. Ze zijn de vluchtelingencentra in Servië beu. Of ze willen sterven op hun geboortegrond. Ze worden aangemoedigd door de internationale gemeenschap, die Kosovo koste wat het kost multi-etnisch wil maken. Maar welke toekomst wacht hun in Kosovo?

In het noordwesten van Kosovo ligt het gehucht Osojane. Tot het einde van de luchtoorlog telde Osojane 653 inwoners - allen Serviërs. Na de oorlog liep Osojane leeg. 'Op 13 juni vertrokken we', zegt Gojko Djulic.

De navo, die moeizaam vorderde vanwege de vele mijnen op de weg naar het noorden, was nog niet eens in zicht. Na de vlucht van de Serviërs uit Osojane maakten de Albanezen de kleine textielfabriek met de grond gelijk, ze schoten de huizen kapot en vernielden de orthodoxe kerk. Van het dorp bleef weinig over.

Maar nu klinkt overal gehamer en even verderop draait piepend een cementmolen.

Dorpsoudste Djulic blaakt van enthousiasme. 'Hier komt een nieuwe school met vier klaslokalen en een kamer voor de leraren. Daar bouwen we een nieuwe ehbo-post. En kijk eens hoe ver we zijn met onze huizen!'

Langzaam keren de vluchtelingen terug, tot groot genoegen van de internationale gemeenschap. Die heeft van Osojane een prestigeproject gemaakt om critici de mond te snoeren. Want de kritiek neemt toe; op de ontoereikende bescherming door kfor, op de lamlendige bureaucratie bij de vn, op het geringe succes van de vn-vluchtelingenorganisatie unhcr. En dus moeten de vluchtelingen terug.

Dat had in Osojane nogal wat voeten in de aarde. Bij de unhcr komen ze er niet graag voor uit, maar vóór de terugkeer van de Serviërs hebben ze een lijst met namen overlegd aan Albanese leiders in de omliggende dorpen. Die schrapten direct een aantal namen van de lijst, van Serviërs die misdaden tegen de Albanese bevolking zouden hebben begaan. Een tweede lijst werd wel goedgekeurd. Geen wonder, daar stonden alleen oudere mannen en vrouwen op.

Het volgende probleem was de veiligheid van de terugkerende vluchtelingen. Osojane ligt in een dal, midden in Albanees gebied. De vluchtelingen worden daarom in een bus naar het gehucht gebracht, omringd door apc's (armoured personnel carriers) en gewapende kfor-soldaten. Rond Osojane zelf ligt een ring van Spaanse kfor-soldaten. 'Maar echt beveiligen kunnen we hen nooit', zegt kapitein Aneiros berustend. Want wat moeten de soldaten doen tegen een aanslag uit de bossen bovenop de helling?

Ook de economische toekomst van Osojane is een probleem. De textielfabriek is kapot. En hoe krijgen de Serviërs hun textiel de deur uit als ze niet eens zonder een soldaat naar het volgende dorp kunnen? 'We weten niet hoe deze mensen economisch moeten overleven', zegt Claire Bourgeois van de unhcr in Osojane. 'We denken erover om een kippen- en een varkensfokkerij op te zetten voor hun eigen gebruik.'

Het kan de vluchtelingen in Osojane weinig schelen. De meesten verbleven in Servië in de zogenoemde collectieve centra: een afgeragde school, een verlaten pizzeria, een koude opslagplaats. Ze waren in Servië niet welkom en werden met verachting behandeld. Want in Servië, dat al duizenden vluchtelingen telt uit de oorlogen met Kroatië en Bosnië, moeten de Kosovo-Serviërs achter aansluiten.

Op straat worden ze uitgescholden voor shiptar', het scheldwoord dat ze zelf gebruiken voor de Albanezen in Kosovo. Dat steekt.

Dorpsoudste Djulic: 'We hadden geen geld en geen huis. We konden nergens heen. We leefden als in een gevangenis. Je kunt dat dal ook een gevangenis noemen, maar ik woon tenminste in mijn eigen huis en kan mezelf onderhouden.'

Vijfde kolonne

Zal Djulic ooit nog een normaal leven kunnen leiden op zijn geboortegrond? Dat hangt af van de vraag of Albanezen en Serviërs ooit samen in Kosovo kunnen leven - natuurlijk niet als beste vrienden, misschien wel als goede buren. Wie de geschiedenis van dit deel van de Balkan kent, vreest het ergste. En de schuldvraag is lastig te beantwoorden. 'Zolang de Serviërs hun hoofd in Belgrado en hun voeten in Kosovo hebben, mislukt de integratie. In dat geval blijven de Kosovo-Albanezen hen als een onbetrouwbare vijfde kolonne beschouwen', zegt voormalig ovse-hoofd Daan Everts.

Zijn de Verenigde Naties en de navo dan gedoemd om beide bevolkingsgroepen tegen elkaar te beschermen? Een internationaal protectoraat in stand houden is duur - dat heeft Bosnië wel bewezen. En zeker sinds 11 september heeft de internationale gemeenschap ook andere prioriteiten. Vooralsnog loopt het bestuur in Kosovo om de vraag heen. Pappen en nathouden lijkt het devies. Het onlangs gekozen parlement mag de komende drie jaar niet over de onafhankelijkheid van Kosovo praten. De afgezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties heeft het zelf gezegd. Maar de Albanese parlementariërs lachen erom.

Soms gloort er hoop, zeggen internationale medewerkers in de hoofdstad Pristina. In het oosten van Kosovo keren de eerste Albanese en Servische vluchtelingen terug naar de zogenoemde etnisch gemengde projecten. Maar etnisch gemengd blijkt een rekbaar begrip: aan de ene kant van de heuvel bouwt een handvol Albanezen aan hun nieuwe onderkomen, aan de andere kant van de heuvel is een dozijn Serviërs in de weer. Onlangs werd midden in de nacht een handgranaat gegooid. Sindsdien wordt de Servische bouwplaats bewaakt door kfor-soldaten. 'Nee', zegt een van de Albanese nieuwkomers, 'we zijn nog niet bij elkaar op de koffievisite geweest.' Hij kijkt niet-begrijpend. 'Waarom zouden we ook?'

In het stadje Kamenica gaan beide bevolkingsgroepen samen over straat; de Servische vrouwen in hun zwarte omslagdoeken aan de ene kant van de weg, de Albanese vrouwen op hun slofjes aan de andere kant. Er wordt niet gegroet. Maar er wordt ook niet gescholden of met stenen gegooid. En op de markt van Kamenica doen Servische klanten hun boodschappen bij Albanese kooplieden.

Maar Kamenica staat niet model voor Kosovo. De oorlog heeft er lang niet zo hevig gewoed als in het westen en midden van Kosovo. Kamenica ligt in het oosten van Kosovo, tegen Servië aan. Dat

maakte de bevoorrading van de guerrillastrijders van het Albanese uçk tijdens de oorlog uitermate lastig.

Toch putten internationale organisaties hoop uit dit kleine deel van Kosovo. Deels uit zelfbescherming, want niemand werkt nu eenmaal graag aan een hopeloze zaak. De internationale politie wijst graag op de daling van het aantal moorden op Kosovo-Serviërs. In 2000 werden 55 Serviërs vermoord, in 2001 nog maar 22. Ze refereert ook aan de etnisch gemengde patrouilles van de Kosovaarse politie, onder auspiciën van de Verenigde Naties.

Bij de ovse vertellen ze graag over een van hun werknemers die laatst met pech in Albanees gebied in Kosovo strandde. In de auto zat ook een Servische tolk. Toen deze uitstapte om, in het Servisch, de weg naar een garage te vragen, was de ovse-medewerker op het ergste voorbereid. Maar de auto en de inzittenden werden zonder problemen naar een Albanese garage verwezen.

Maar the internationals kunnen voorzitter Oliver Ivanovic van de Servische Nationale Raad niet voor de gek houden. 'Wij trappen er niet in', zegt hij fel. De internationale gemeenschap probeert volgens hem alleen haar straatje schoon te vegen. Kamenica! Hij spuugt het woord bijna uit. Het mocht wat. Want hij kent de waarheid over Kamenica. In de afgelopen drie weken zijn er zeventien aanvallen geweest op Serviërs in en rond Kamenica.

'Dát is de waarheid! De enige echte waarheid!' M

Yaël Vinckx is correspondent van NRC Handelsblad in Belgrado.

Kael Alford is freelance fotograaf in Belgrado.