DE SCHOK

Een bebloede regenboogtrui als herinnering aan een dieptepunt in de geschiedenis van de wielersport. De Belgische renner Jean-Pierre Monseré kwam in maart 1971 dodelijk ten val bij een kermiskoers in de Kempen. Door het officieuze karakter van de wedstrijd was er geen politiebegeleiding die de karavaan in goede banen kon leiden. Monseré bevond zich onder winderige omstandigheden in een kopgroep die in een `waaier' voor het jagende peloton reed. In de buurt van Sint Pieters Lille keek hij achterom; hij zag een auto niet aankomen. Na de frontale botsing sloeg Monseré over de kop en raakte hij bewusteloos. Zijn ploegleider hoorde hem nog ademhalen, maar een dokter in de buurt moest even later de dood van een geboren grappenmaker constateren. De 22-jarige Jempie liet een vrouw en twee kinderen na. In België werd hij beschouwd als grootste wielertalent na zijn generatiegenoot Eddy Merckx. Monseré werd in 1970 verrassend wereldkampioen in het Engelse Leicester. Met een krachtige sprint versloeg hij daar een handvol Italianen en was hij meteen verlost van het predikaat `eeuwige tweede'. Als eerstejaars professional werd hij één van de jongste wereldkampioenen aller tijden. Monseré was een kleine coureur met een krachtige pedaaltred. Een doordouwer die ook in slecht weer goed uit de voeten kon op de kasseien. Dat leverde hem in wielerminnend Vlaanderen de koosnaam Flandrien op.

Dit is de 31ste aflevering in een serie over schokkende sportmomenten.