De lange weg naar modern ondernemen

De stelling dat de VOC een vroege multinational was, is misschien verdedigbaar. Maar om de VOC de eerste moderne onderneming te noemen gaat te ver.

Zes miljoen vierhonderdvierentwintigduizend vijfhonderdachtentachtig gulden. Dit voor die tijd fenomenale bedrag werd in 1602 opgehaald met de eerste intekening op aandelen Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC begon haar bestaan zo met een flink eigen vermogen, bijeengebracht door meer dan tweeduizend grote en kleinere beleggers. De VOC wordt het eerste moderne bedrijf ter wereld genoemd, en de eerste `multinational'. Maar was dat wel zo?

Vast staat wel dat de permanente status van het kapitaal van de VOC uiterst modern was. Toen aan het einde van de zestiende eeuw expedities vanuit de Republiek der Nederlanden naar de Oost mogelijk werden, werd de vaart aanvankelijk gefinancierd op de wijze die tot dan toe gebruikelijk was: verschillende financiers betaalden elk een aandeel in een schip, de uitrusting en het handelskapitaal, en ontvingen bij terugkeer van de schepen pro rato een deel van de opbrengst uit de verkoop van de ingekochte waren. Daarna werd de onderneming ontbonden, en het vrijgekomen kapitaal opnieuw geïnvesteerd in een volgende expeditie.

In de populaire geschiedschrijving van de VOC wordt de onderneming neergezet als het eerste bedrijf ter wereld waarvan het kapitaal permanent was: het werd telkens opnieuw geïnvesteerd en niet tussentijds teruggegeven aan de kapitaalverschaffers. Dat is een flinke innovatie ten opzichte van de ad hoc-benadering van daarvoor, en kan gemakkelijk gezien worden als een voorschot op de moderne naamloze vennootschap.

Maar dat de VOC ook daadwerkelijk als zo'n permanent bedrijf begon is niet juist, zegt P. Frentrop, directeur van Deminor Nederland, dat onafhankelijk advies geeft aan minderheidsaandeelhouders. Frentrop hoopt dit jaar te promoveren op de geschiedenis van corporate governance, en deed voor zijn dissertatie ook onderzoek naar de VOC. Hij schetst de eerste twintig jaar van het bestaan van de VOC als een woelige periode, waarin de Compagnie pas na vallen en opstaan haar uiteindelijke vorm kreeg.

De VOC, zegt Frentrop, was maar ten dele opgezet om handel te drijven op de Oost. De Compagnie was vanaf het begin ingericht op het voeren van oorlog en het kapen van vooral Portugese schepen. Dat alles onder de goedkeuring van de Republiek en voorzien van een alleenrecht, een octrooi. Geen wonder, zegt hij, dat er het formidabele bedrag van 6,4 miljoen werd opgehaald: iedereen wilde daar wel aan meedoen. De Britse East India Company begon twee jaar daarvoor, in 1600, met een kapitaal van omgerekend slechts 820.000 gulden.

De eerste jaren van de VOC waren weinig succesvol. Het kapen bracht meer op dan de handel zelf, waar slechts de eerste van vier vloten enig succes mee had. Toen in 1609 onder het Twaalfjarig Bestand het kapen onmogelijk werd, brak de eerste crisis rond de VOC uit. Wat met terugwerkende kracht `aandelen' zijn gaan heten, zegt Frentrop, waren in feite obligaties: in 1612, tien jaar na de oprichting, hadden beleggers de mogelijkheid om hun ingelegde kapitaal plus winst terug te krijgen.

Een groep ontevreden aandeelhouders, onder leiding van de voormalige VOC-bewindvoerder Isaac le Maire, begon na 1609 met speculaties tegen het aandeel: het eerste hedge fund in de geschiedenis, signaleert Frentrop. Zij voorzagen dat de VOC in 1612 helemaal niet in staat zou zijn aan haar verplichtingen te voldoen. De Heren Zeventien, het bestuur van de VOC, wist de Staten-Generaal daarop niet alleen te bewegen dergelijke speculaties te verbieden, maar ook de termijn waarop afgerekend moest worden effectief uit te stellen tot 1622. Door de koers van de verhandelde aandelen in 1610 te steunen met een dividend dat wegens gebrek aan contanten grotendeels in natura werd uitgekeerd – peper en foelie – wisten de Heren Zeventien te bereiken dat geen van de andere aandeelhouders in 1612 de aanvechting kreeg zijn geld toch op te eisen.

De tien jaar daarna werd slechts mondjesmaat dividend uitgekeerd en ketste een fusie met de Britse East India Compagnie af. Frentrop schetst een nieuwe golf van ontevredenheid bij de beleggers. Twee jaar voor het cruciale jaar 1622 keerde de VOC een stevig dividend in contanten uit, maar het vermoeden rees dat dat gefinancierd was met geleend geld. Reden voor een groep beleggers met 40 procent van het kapitaal in handen om naar de rechter te stappen en inzage te vragen in de financiën van de VOC. Zij waren echter kansloos tegen de macht van de VOC.

Beschuldigingen van mismanagement en persoonlijke verrijking door de bewindvoerders van de VOC, die niet zelden een commercieel belang hadden bij de bouw en uitrusting van de schepen, zwollen aan. Maar het zou een commerciële overweging zijn die uiteindelijk enige verandering bij de VOC teweegbracht.

Prins Maurits, vertelt Frentrop, had in 1624 zijn zinnen gezet op de oprichting van een West Indische Compagnie (WIC), waarvan de aandelen aan de man moesten worden gebracht. Dat gebeurde met een road show in het land waar, volgens Frentrop, ,,World Online nog wat van had kunnen leren''. Pas toen de opstandige VOC-aandeelhouders dreigden de `beursintroductie' van de WIC van de rails te laten lopen, ging het roer bij de VOC een beetje om. Later bleek echter dat de meeste toezeggingen over openheid, aandeelhoudersinvloed en terugdringing van nepotisme in de VOC-top loze beloften waren. Maar tegen die tijd had Jan Pieterszoon Coen in Indië de VOC hardhandig gesaneerd en begon het tijdperk van winstgevendheid. De aandelen stegen, niemand klaagde meer en het kapitaal van de VOC kreeg in de praktijk zijn permanente karakter.

Belaging door een hedge fund, verrijking aan de top, road shows, mislukte fusies, boekhoudkundige streken en onmondige aandeelhouders: in die zin komen de perikelen van de VOC modern over. Maar de deels militaire doelstellingen, de bestuursstructuur waarbij aandeelhouders niets in te brengen hadden, het ontbreken van toezichthouders (commissarissen) en een aandeelhoudersvergadering maken van de VOC als onderneming hooguit een overgangsvorm. Daarbij komt dat de manier van boekhouden zodanig was, dat historici zich nog steeds het hoofd breken over de mate waarin de VOC aanvankelijk winstgevend, en later in de achttiende eeuw verliesgevend was. Ook de berekening van het dividend dat de VOC gedurende zijn bestaan gemiddeld jaarlijks uitkeerde, volgens de meeste bronnen 18 procent van de oorspronkelijke waarde van de aandelen, moet met een flinke korrel zout genomen worden.

Het ontstaan van de moderne onderneming, zegt Frentrop, moet worden gesitueerd in de Napoleontische tijd, toen de Naamloze Vennootschap ontstond. Dat de VOC gezien kan worden als een van de eerste multinationaal ondernemende bedrijven is misschien verdedigbaar. Maar de eerste moderne onderneming was zij niet.