De kanoetenhouderij

Kanoeten leven op de randjes van de wereld. Ze broeden binnen de poolcirkel en overwinteren duizenden kilometers zuidelijker in afgelegen kustgebieden. Waar kanoeten zijn is het landschap bij uitstek vlak en verlaten, zij horen bij fantastische vergezichten. Ook in een land als het onze beperken ze hun aanwezigheid strikt tot de periferie, de Waddenzee.

,,Ze kiezen precies de plekken die ik zelf zou kiezen'', zegt Theunis Piersma, en dan zie ik hem voor me op een strandje in Mauretanië waar verder geen mens te bekennen valt – ook al omdat verder geen mens er zijn brood zou kunnen verdienen.

In feite (je ziet het niet meteen aan ze af) behoren kanoeten tot wildste dieren op aarde. Ze kennen geen mensen, ze kennen geen mensenvrees. Theunis heeft daar minstens twee verhalen over.

Ergens in de vlakten van Siberië ziet een mannetjeskanoet, die zijn jongen bewaakt, zich geconfronteerd met een dubbele bedreiging: een bioloog die door het terrein loopt en een middelste jager die komt aanvliegen. Hij geeft de jongen onmiddellijk het signaal `drukken'. Zo'n roofmeeuw is in zijn ogen gevaarlijker dan een mens, en dat weten zijn jongen nu ook.

Ergens in de verlatenheid van Patagonië staat een bioloog met een telescoop een stel kanoeten te observeren. De vogels ontdekken een slechtvalk in de lucht en ze komen naar de man toe, ze gebruiken hem als dekking tegen die roofvogel. Noem het argeloosheid, noem het een list – in ieder geval durfden zij iets wat een slechtvalk niet durft, ze durfden een mens te benaderen.

Het wonderlijke is nu dat deze vogels, die zoveel ruimte gewend zijn, zo goed gedijen in gevangenschap. In hun natuurlijke isolement hebben ze kennelijk eigenschappen ontwikkeld die hen heel geschikt maken voor een leven in kooien. Theunis houdt er momenteel een stuk of tachtig. Ze zitten net als hij bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel.

De eerste verblijven waren met gaas afgerasterd, want die dieren – dat denk je dan – houden natuurlijk van een vrij uitzicht. Maar daar dachten de kanoeten zelf anders over. Zij hielden beslist niet van uitzicht op katten en kiekendieven. Dus daar is uiteindelijk een schutting omheen gezet, het uitzicht gereduceerd tot de lucht bóven de kooi.

In nieuwere verblijven is het contact met de buitenwereld volledig verbroken. Die bevinden zich binnen de muren van een gebouw, waar onderzoekers ook de beschikking hebben over een ruimte met een stuk kunstmatig wad. Dus water en slik. Getij en licht-en-donker kunnen naar behoefte worden geregeld. In de toekomst zal men hier ook de temperatuur van water en lucht onder controle hebben.

We gaan de kooien langs en het is waar, dit heeft iets weg van een rondgang langs de cellen in een gevangenis (wat wij natuurlijk alleen van de tv kennen). Luikje open, even kijken, luikje dicht.

Er is weinig bijzonders te zien. In elk verblijf een groepje kanoeten. Ze zien ons niet, er zit politieglas achter die luikjes, maar ze horen ons wel, en dat verandert helemaal niets aan hun gemoedsrust. Ze staan een beetje bij elkaar, ze lopen een beetje rond, ze maken de knutterende geluidjes, net of er voortdurend vonkjes overspringen, waarmee ze zichzelf en elkaar geruststellen.

Onze artiesten, noemt Theunis ze, of: onze werkpaarden. Er zijn erbij die drie weken terug gevangen zijn op Griend en weldra weer zullen worden vrijgelaten. Er zijn er ook bij die zeven jaar geleden zijn gevangen op Wieringen — zij zitten sinds twee jaar op een ritme van twaalf uur licht, twaalf uur donker; ze denken dat het hoogzomer is, ze vertonen in februari het prachtige roestrode verenkleed van afgelopen augustus.

,,Zo mooi rood vind je ze nergens'', zegt Theunis. In ieder geval verschuift zó hun jaarcyclus als ze geen informatie meer krijgen uit de natuur. Hij sluit niet uit dat ook deze vogels ooit weer kunnen worden vrijgelaten, zoals dat vorig jaar nog met een groepje jaargenoten van hen gebeurde. Er was geen werk meer voor de dieren. Zes jaar kloosterleven blijkt hun geen kwaad te hebben gedaan. Er komen geregeld meldingen dat deze kanoeten nog in leven zijn – toevallig hebben we er gistermiddag zelf nog een gezien op het wad bij de Schorren.

En hier – kanoeten uit Amerika.

En hier – kanoeten uit Australië.

Je zorgt voor een exportvergunning, je zorgt voor een importvergunning, je zet de dieren in een weekendtas, je neemt ze als handbagage mee in de jumbojet en dan moet je alleen het idee nog van je af zien te zetten dat ze dat hele eind misschien toch liever zelf hadden gevlogen.

,,Dit zijn de gezondste kanoeten van de wereld'', zegt Theunis.

,,O God'', zeg ik, ,,hoe vaak ik dat niet hoor! Als ze het niet naar hun zin hadden, zouden ze niet zoveel biggen werpen, als ze niet gezond waren, zouden ze niet zoveel melk geven.''

Theunis grinnikt maar wat. Hij zal zijn achtergrond van Fries stamboek niet ontkennen. Maar het is een feit: zijn kanoeten zien er prima uit. De sterfte is hier praktisch nihil, en in de natuur jaarlijks 15 tot 30 procent, in de natuur worden ze maar een jaar of vijf oud.

Ze zijn niet bang voor mensen, dat wisten we al. Ze brengen uit hun broedgebieden een zachtaardig karakter en een stoïcijnse wereldbeschouwing mee. Het zijn buitengewoon sociaal ingestelde dieren, en sociaal ingestelde dieren, dat is bekend (ook al blijf je je erover verbazen), passen zich nu eenmaal makkelijk aan ons aan. Zo nodig heb je ze binnen een paar dagen handtam.

Maar wat het meest bijdraagt aan hun welzijn is ongetwijfeld dat je ze bevrijdt van de zorgen om het dagelijks eten en de angst voor roofvogels. Pas als je ze uit de natuur haalt, waar ze vanzelfsprekend toch thuishoren, merk je hoe gestresst zulke vogels eigenlijk door het leven gaan.

Je haalt ze trouwens niet zomaar uit de natuur. Je moet vergunning hebben om je in het desbetreffende terrein op te houden, vaak beschermd natuurgebied. Je moet vergunning hebben om te vangen en om te ringen. Om ze in gevangenschap te houden heb je vervolgens toestemming nodig van de Dierenexperimentencommissie (DEC) van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.

Iedere proef die je wilt doen moet je voor de DEC omschrijven, elk jaar verslag uitbrengen over hoeveel beesten aan welke proeven hebben meegedaan. ,,Dat kost veel tijd en mankracht'', zegt Theunis voorzichtig, ,,die je liever voor wat anders zou gebruiken.''

Mensen die bij deze proeven betrokken zijn moeten bovendien een bepaalde status verwerven, ze moeten een cursus volgen conform artikel 9 of artikel 12, cursussen die betrekking hebben op proefdieren, ratten en zo. ,,Het is wel een beetje vervelend'', zegt Theunis, ,,om afgerekend te worden op een tak van sport waaraan je helemaal niet meedoet.'' Want ratten worden zelden omwille van zichzelf aan proeven onderworpen, terwijl het bij kanoeten wel degelijk om het vergaren van kennis over kanoeten draait. Doorgaans betreft het gedragsonderzoek (voedselopname, energieverbruik). Op beperkte schaal wordt een beetje bloed afgenomen of wat met hormonen gedaan.

Afijn, die kanoeten komen van de tijdloze toendra in Nederland anno 2002 terecht. Zoals zij in de netten van hun onderzoekers vliegen, zo vliegen hun onderzoekers in de netten van de bureaucratie. Dat heeft wel iets rechtvaardigs. Maar wat dan toch weer volstrekt onverteerbaar is: jij, wetenschapper, moet heel je doen en laten op formulieren verantwoorden, terwijl een ander, buiten op het wad, gewoon zijn gang kan gaan bij het vernietigen van het leefmilieu van deze vogels. Jawel, de kokkelvissers!