BESTUUR

Het succes van hedendaagse multinationals staat of valt met goed management. Dat gold ook voor een internationaal georiënteerd bedrijf als de VOC. Wie voerden het bewind? Hoe groot was hun macht? Een overzicht.

Kamers De Compagnie werd geleid door zestig directeuren die tezamen zes VOC-vestigingen (ook wel `kamers' genoemd) vertegenwoordigden: Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Twintig directeuren leidden de kamer in Amsterdam, twaalf die in Zeeland en elk vier directeuren voerden het bewind in Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Hun taak was het coördineren van de werkzaamheden binnen hun vestiging: goederen inkopen en veilen, personeel werven en schepen bouwen.

Een paar keer per week vergaderden de heren in het Oost-Indisch Huis in Amsterdam, het bestuurlijk zenuwcentrum van de VOC. Daar hadden de boekhouders en klerken hun kantoren en was tevens een veilinglokaal gevestigd. Tijdens hun bijeenkomsten verdeelden de bewindhebbers de werkzaamheden onder speciaal gevormde commissies. Zo was er een commissie die toezicht hield op de boekhouding, de salarissen, het aandelenregister en de veilingen. Een andere commissie was verantwoordelijk voor de kas en de inkoop van goud en zilver. Weer een andere commissie hield toezicht op de bouw en uitrusting van de schepen en de werving van zeelieden en soldaten.

Heren Zeventien Omdat vergaderen met zestig man niet erg effectief is, stelde de VOC ook een hoofddirectie van zeventien heren samen, de `Heren Zeventien'. Deze bestuurders kwamen twee à drie keer per jaar gedurende enkele weken bijeen om te beoordelen hoeveel schepen en manschappen er het volgende seizoen zouden uitvaren, welke goederen in Azië moesten worden ingekocht en om data voor veilingen vast te stellen. Amsterdam mocht als grootste kamer (en grootste aandeelhouder) acht leden afvaardigen, Middelburg vier en de rest van de kamers elk een zetel. Het laatste lid werd bij toerbeurt door de kamers in Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn of Enkhuizen geleverd. Dit om te voorkomen dat Amsterdam een te groot stempel op het algemene beleid van de VOC zou gaan drukken. Bemoeiden de Heren Zeventien zich in het begin alleen met algemeen beleid, gaandeweg nam hun invloed binnen de Compagnie toe. Zo kregen de kamers uiterst gedetailleerde instructies - voor het gebruik van slangbrandspuiten op de schepen tot het verven van de mast en de boegspriet.

Rechter handen In hun werk werden de Heren Zeventien bijgestaan door een advocaat (vaste secretaris) en verschillende commissies, waarvan het Haags Besogne als belangrijkste gold. De advocaat behandelde de post, stelde resoluties van de hoofddirectie op en nam deel aan vergaderingen. Zijn invloed was groot omdat hij, anders dan de meeste Heren, zijn functie vaak decennialang uitoefende en goed zicht had op de organisatiestructuur binnen de VOC. Het Haags Besogne was belast met `het nasien, leesen en examineren van de boeken, brieven en verdere papieren' die jaarlijks uit Azië werden ontvangen. De commissie rapporteerde haar adviezen en bevindingen aan de Heren Zeventien die, indien nodig, overleg voerden met de Staten-Generaal.

Hoge Regering Het hoogste bestuursorgaan van de VOC in Azië was de Hoge Regering. Dit college, bestaande uit een gouverneur-generaal en zes raden, was op papier ondergeschikt aan de Heren Zeventien en moest zich eens per jaar voor al zijn activiteiten in Azië verantwoorden door middel van een aantal `generale missiven'. Maar omdat de afstand tussen beide bestuursorganen groot was en de communicatie gebrekkig, opereerde de Hoge Regering in de praktijk veelal op eigen houtje. Dat leidde tot grote irritaties over en weer. Zo tikten de heren Zeventien menig gouverneur-generaal in Azië op de vingers, omdat zijn activiteiten niet strookten met het algemene VOC-beleid. De Hoge Regering, op haar beurt, concludeerde dat de bewindvoerders in de Republiek geen idee hadden met wat voor problemen men in de Oost te kampen had. De Hoge Regering, aldus een gouverneur-generaal, zette zich met `lijff ende siele' in om de bevelen uit de Republiek uit te voeren. Maar als het college van mening verschilde met de Heren Zeventien behoorden die `ons volcomen toe te vertrouwen ende niet soo cleen te achten, even off wij hier kinderen waren'.

Bron: De Vereenigde Oost-Indische Compagnie, VOC, Els M. Jacobs, Teleac/NOT,1997