Sterven voor het radicaalste sprookje

Giangiacomo Feltrinelli was een even succesvolle als hippe Italiaanse uitgever. Hij haalde meesterwerken binnen, zette flipperkasten in boekwinkels en liet er popgroepen optreden. Maar in 1972 blies hij zichzelf op bij een mislukte bomaanslag. Hoe een miljonair zich omschoolde tot terrorist.

Nog maar negen jaar is Carlo Feltrinelli als hij, in augustus 1970, een bezoek brengt aan zijn vader Giangiacomo, die dan al ruim een half jaar ondergedoken zit en zich koortsachtig voorbereidt op een revolutie. Toch verloopt het familiebezoek, in Oostenrijk, bijna als een normale vakantie. Vader en zoon maken lange wandelingen met de hond en ze doen spelletjes. Maar er zijn aanwijzingen dat niet alles normaal is. Er worden platen gedraaid met communistische strijdliederen: `Arbeiter, Bauern, nehmt die Gewehre'. In een lade vindt Carlo een pistool, en hij verblindt zichzelf per ongeluk met een busje `zelfverdedigingsspray'.

Anderhalf jaar later is Giangiacomo Feltrinelli dood. Hij blaast zichzelf op bij een poging een elektriciteitsmast te saboteren, even buiten Milaan. In de buurt van het lichaam wordt een pakje sigaretten gevonden van het merk `Senior Service'. Daaraan ontleent Carlo Feltrinelli de titel van het boek waarin hij het turbulente leven van zijn vader reconstrueert. Senior Service verscheen in 1999 in Italië en is nu vertaald in het Engels.

Het is een moeilijk, duister onderwerp, en Carlo Feltrinelli gaat omzichtig te werk. Hij citeert veel uit brieven, interviews en documenten die zijn vader heeft nagelaten (vanaf de jaren veertig hielden geheime diensten dossiers over hem bij) en neemt slechts incidenteel zelf het woord. Soms wil je dat hij als schrijver iets meer van de gedrevenheid van Feltrinelli senior aan de dag legt. Maar het verdriet om het verlies van zijn vader sijpelt tussen de regels door. Feltrinelli junior velt geen scherp oordeel. Giangiacomo Feltrinelli was ook zo'n onhandige terrorist, dat de morele consequenties van zijn keuze voor geweld hem nooit zwaar zijn aangerekend. Hij leverde weliswaar het pistool dat werd gebruikt voor de moord op een Boliviaanse consul in Hamburg, maar hij was bij de aanslag zelf niet direct betrokken. Hij kwam bovendien om voordat het geweld in de jaren zeventig in Italië echt losbarstte; zijn gewelddadige dood bij de elektriciteitsmast zou zelfs kunnen worden beschouwd als het startschot van een decennium terreuraanslagen en politiek geweld.

Wat drijft een uitgever naar de revolutie?

Feltrinelli heeft wel een belangrijke bijdrage geleverd aan het scheppen van het klimaat waarin politiek geweld van links en rechts in Italië epidemische vormen kon aannemen. De jaren zestig en zeventig mogen in Nederland nog gelden als vooral leuke of `ludieke' jaren, in Italië lag dat anders. In elf jaar tijd, van 1969 tot 1980, vonden in dat land bijna achtduizend gewelddadige incidenten plaats. Daarbij vielen 362 doden (onder wie 65 politiemensen, 9 rechters en 3 politici, inclusief de christen-democratische leider Aldo Moro) en 172 ernstig gewonden. De linkse Rode Brigades hadden het vooral gemunt op politici, rechters en journalisten. Neofascisten waren verantwoordelijk voor onder meer de aanslag op het treinstation van Bologna in 1980, waarbij 85 doden vielen.

Deze golf van terreur was in Italië veel breder dan elders in Europa en kreeg ook meer steun van de bevolking, vooral onder jongeren en intellectuelen, aldus Donald Sassoon in zijn standaardwerk One Hundred Years of Socialism. Hij wijst erop dat de Italiaanse situatie zich bijvoorbeeld sterk onderscheidde van die in Duitsland. Daar stond de marxistische Rote Armee Fraktion tegenover een democratische rechtsstaat, die de grenzen van de wet opzocht bij de bestrijding van het terrorisme. In Italië kwam het geweld daarentegen van links èn rechts. Het gevaar van een rechtse coup was meer dan een hersenschim. `De dreiging van fascisme leek echt in de jaren zeventig', aldus Sassoon.

Carlo Feltrinelli heeft zijn boek niet geschreven uit nostalgie, schrijft hij met wrange ironie, maar `simpelweg omdat het het beste verhaal is dat ik ken.' Een goed verhaal is het zeker: de miljonair die eindigde als terrorist. En ook al had de zoon uiteraard persoonlijke redenen om dit boek te schrijven, hij is zeker niet de enige van zijn generatie (die de jaren zestig alleen uit de overlevering kent) die gefascineerd is door het radicalisme van weleer. De linkse filosoof en Spinoza-kenner Antonio Negri, die door de Italiaanse overheid beschouwd werd als ideoloog van de Rode Brigades en in contact stond met Feltrinelli tijdens diens ondergrondse periode, geniet momenteel hernieuwde bekendheid dankzij zijn antiglobaliseringstraktaat Empire (besproken in Boeken, 03.08.01), dat binnenkort ook in Nederlandse vertaling verschijnt. Het filmfestival van Berlijn beleefde onlangs de première van de omstreden film Baader (over de RAF) van de jonge regisseur Christopher Roth, die even weinig behoefte heeft aan een scherp moreel oordeel als Feltrinelli junior. In Duitsland heeft zelfs de modewereld zich op de RAF gestort. In Berlijnse modewinkels zijn voor 65 euro militaire jacks, met patroonhouder, te koop met het opschrift `Prada Meinhof', meldt Der Spiegel deze week. `RAF goes Pop', concludeert het weekblad. Politiek geweld wordt onderwerp van `postmoderne esthetisering'.

Die modieuze belangstelling heeft natuurlijk meer dan een vleug van exotisme, want de daadwerkelijke revolutionaire bevlogenheid van mensen als Feltrinelli, is nauwelijks meer na te voelen. Het is eerder de fascinatie van de antropoloog voor een uitgestorven stam. `Er zit meer tijd tussen dan de dertig jaar die de kalender aangeeft', schrijft Carlo Feltrinelli terecht.

Ook de verschillen met de huidige generatie actievoerders zijn op het eerste gezicht duidelijk. Antiglobalisten zoals de demonstranten in Praag, Seattle en Genua zijn pragmatisch en richten hun pijlen eerder op concrete misstanden dan op abstract onrecht. De retorische verheerlijking van geweld als politiek middel is, mede door de ontnuchterende ervaringen van de jaren zeventig, flink getemperd. Maar de rechtlijnigheid en bevlogenheid van hun voorgangers oefenen kennelijk nog steeds aantrekkingskracht uit op jonge actievoerders. Niet voor niets is de veteraan Noam Chomsky een van de meest gelezen auteurs in de beweging tegen kapitalistische globalisering. Al eindigde hij niet, zoals Feltrinelli, als bommenlegger.

Giangiacomo Feltrinelli kwam uit een van de rijkste families van Italië, die in de negentiende eeuw een fortuin had vergaard met de handel in hout. Later kwamen daar textiel, transport en een eigen bank bij. Feltrinelli senior was voorzitter van Credito Italiano, de op één na grootste bank van Italië. In 1935 kreeg hij problemen met het regime van Mussolini, omdat een deel van de familie illegaal geld in het buitenland had uitstaan. Onder druk van die affaire, kreeg hij een hartaanval en overleed.

Giangiacomo is dan negen. Hij wordt opgevoed door zijn moeder, die op haar tweeëndertigste aan het hoofd van het zakelijk imperium komt te staan. De `rijkste weduwe van Italië' hertrouwt met de playboy-journalist Luigi Barzini junior, die door Giangiacomo hartgrondig wordt gehaat. Contact met leeftijdsgenoten heeft hij niet, omdat hij uitsluitend privé-onderwijs krijgt en de familie de halve wereld overtrekt. Zijn moeder kijkt nauwelijks om naar de kinderen uit haar eerste huwelijk. Later noemt Giangiacomo als dank een van zijn honden naar zijn moeder.

Politiek bewust en actief is hij al vroeg. Op zijn zeventiende, in 1944, sluit hij zich aan bij de partizanen om tegen het fascisme te vechten. Een paar maanden later wordt hij lid van de Italiaanse communistische partij (PCI). Zijn politieke ontwaken verklaart hij later, in een biografische schets voor de partij, uit zijn gesprekken met het personeel van de Feltrinelli's. Na de oorlog fungeert hij korte tijd als infiltrant in het monarchistische milieu van zijn moeder, die in direct contact stond met koning Victor Emanuel, totdat de communistische partijkrant L'Unità per abuis uit zijn vertrouwelijke rapportages citeert. Zijn moeder laat hem oppakken door de politie, met als voorwendsel een wapenvoorraad van het verzet die nog steeds in zijn bezit is. Dat werkt. Feltrinelli junior vlucht voor korte tijd naar Portugal.

Tot het midden van de jaren vijftig volgt hij trouw de partijlijn van de PCI. Door zijn rijkdom – hij heeft `de waardevolste partijkaart van Italië' – wordt hij nooit helemaal een van de kameraden, maar houdt hij wel direct toegang tot de partijleider, Togliatti. Onder diens aanmoediging begint hij een bibliotheek en een archief van de geschiedenis van de arbeidersbeweging, dat uitgroeit tot een van de belangrijkste ter wereld. (De Biblioteca Feltrinelli is nog steeds gevestigd aan de Piazza della Scala in Milaan.) In 1955 richt hij ook een uitgeverij op, gevolgd door een keten van boekhandels. En ook die onderneming wordt een groot succes. Inmiddels is Feltrinelli een van de meest vooraanstaande uitgeverijen en boekhandelketens van Italië. Na de dood van de oprichter wordt het bedrijf voortgezet door zijn derde vrouw, Inge, de moeder van Carlo. Tegenwoordig is het Carlo die het familiebedrijf leidt.

In Senior Service is die overigens uiterst terughoudend over de vier huwelijken van zijn vader. `Zaken van het hart verdienen discretie', schrijft hij. Echtscheiding was tot 1970 verboden in het katholieke Italië. Alleen wie geld had, kon een huwelijk in het buitenland laten ontbinden en vaak werd daarbij als reden `impotentie' opgevoerd. Begin jaren zeventig laat de Italiaanse geheime dienst een boekje verschijnen met de sarcastische titel Feltrinelli; de impotente guerrilla.

Feltrinelli's grootste succes als uitgever komt uit Rusland. Net als veel andere linkse intellectuelen breekt hij met de PCI als de partij in 1956 de sovjetinval in Hongarije verdedigt. Een jaar later verlaat hij stilletjes de partij. Maar inmiddels is hij wel de uitgever van de roman Dr. Zhivago van Boris Pasternak. Omdat de Sovjet-Unie niet deelneemt aan internationale verdragen over auteursrecht, weet hij de wereldwijde rechten te verwerven van deze `eerste naoorlogse bestseller'. In de Sovjet-Unie wordt de publicatie van de roman eindeloos vertraagd met een verwijzing naar `kleinburgerlijke tendenties' in de tekst en `vervreemding van het sovjetleven'. Het boek, opgevat als een aanklacht tegen het lot van de intelligentsia onder Stalin, verschijnt pas in 1988 officieel in de Sovjet-Unie.

Pasternak wordt door de sovjetautoriteiten onder onmenselijk zware druk gezet om zijn boek ook in het buitenland niet te laten verschijnen. Hij voert een dubbele correspondentie met Feltrinelli: een officiële waarin de schrijver hem vraagt publicatie uit te stellen, en een geheime briefwisseling. De afspraak is dat alleen de brieven in het Frans serieus genomen dienden te worden. Carlo Feltrinelli heeft in Senior Service een groot deel van die correspondentie integraal opgenomen, alsof hij wil onderstrepen dat zijn vader veel meer was dan de man die zichzelf opblies. Feltrinelli is niet onder de indruk van het verbale geweld uit Moskou. Ironisch maar ook geïmponeerd schrijft Carlo, die zijn vader meestal bij zijn achternaam noemt: `Feltrinelli was de potentaat van zijn eigen zeer particuliere republiek, vertegenwoordigd door hemzelf, zijn boeken, zijn schrijvers, zijn ideeën en zijn geld. Hij wilde als gelijke behandeld worden door de supermacht. Dat was zijn beleid.'

En een groot uitgever was hij. Behalve Dr. Zhivago geeft Feltrinelli de beroemde roman De tijgerkat van Tomasi di Lampedusa uit, over de ondergang van de aristocratie op Sicilië, en de eerste vertaling van Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. In de jaren zestig is hij daarnaast een van de belangrijkste leveranciers van de literaire tegencultuur in Italië. Hij publiceert onder meer het werk van de Amerikaanse bohémiens Jack Kerouac en Hubert Selby. Om de censuur te ontlopen laat hij de `obscene', pornografische boeken van Henry Miller drukken in het buitenland, om ze vervolgens te importeren. Hij plaatst ook flipperkasten in zijn boekwinkels en laat er rockbands optreden.

Die gedreven, maar ook zeer zakelijke uitgever staat nog mijlenver af van de verwaarloosde, eenzame figuur die zo droevig aan zijn einde kwam. Wat is er gebeurd? Wanneer ging het woord over in de daad?

Carlo Feltrinelli zegt het niet expliciet, maar het lijkt erop dat Giangiacomo vanaf de zomer van 1968 psychisch uit balans raakt. Als een medewerker de uitgeverij dreigt te verlaten, trekt hij plotseling een pistool. Hij begint zich te bekwamen in het gooien van handgranaten en, later, het vervalsen van documenten. Hij leert Carlo hoe hij papieren moet vernietigen: altijd de as verkruimelen, anders kan verbrand papier nog worden gelezen.

De sleutel tot die omslag ligt op Cuba. Feltrinelli reist daarheen om Fidel Castro te verleiden tot het schrijven van zijn memoires. Die zijn er niet gekomen, maar Feltrinelli krijgt dankzij zijn contacten met Castro wel als eerste de dagboeken van Che Guevara in handen. Ook krijgt hij op Cuba de negatieven van het beroemde portret van Che, dat de wereld over zou gaan. Aanvankelijk is hij sceptisch over de intellectuele kwaliteiten van de `Grote Baard', maar gaandeweg raakt hij bevriend met Castro. Al geeft hij toe: `Het is moeilijk om met Castro te praten, omdat hij zelf voortdurend aan het woord is.'

Het is Feltrinelli's verdienste dat hij de positie van homoseksuelen op Cuba (`parasieten' volgens de Líder Máximo) in die gesprekken aan de orde heeft gesteld. Maar dat Castro de wereldpolitiek met hem doorneemt, moet ook zijn ijdelheid en zijn zucht naar macht ongelooflijk hebben gestreeld. In een vraaggesprek in 1967 zegt hij dat zijn engagement medio jaren zestig volledig was opgedroogd, totdat hij de `vriend van Castro' werd. `Het feit dat je jezelf plotseling over wereldpolitiek hoort praten, oog in oog met een staatshoofd, en terwijl je in direct contact staat met een concrete omgeving, zoals de Cubaanse, dat kan iets veranderen in je leven.'

Dat deed het. En daarna gaat het snel. Feltrinelli raakt in de ban van de bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld en vooral van de guerrillastrijd in Zuid-Amerika. Het is volgens hem een derde weg tussen westers kapitalisme en sovjesocialisme. Hij wil de stadsguerrilla naar Italië importeren, waarbij hij een centrale rol ziet weggelegd voor het arme zuiden van het land. Hij beschouwt Sardinië als het Cuba van de Middellandse Zee.

In de artikelen die Carlo Feltrinelli citeert, is duidelijk te zien dat hier een mentaal kookpunt wordt bereikt: het betoog van Feltrinelli heeft nauwelijks structuur en zijn zinnen worden steeds gejaagder. Zo begint hij een artikel over het uitgeversvak: `Ik moet mezelf dus definiëren: ik moet mezelf definiëren als uitgever; of ik moet mezelf op z'n minst introduceren, laten zien en verklaren in verhouding tot het vak waar ik de laatste vijftien jaar negentig procent van mijn tijd aan heb gegeven. Ik zou kunnen beginnen met het vak zelf en, om het simpeler te maken, mezelf er buiten kunnen laten; aan de andere kant zou ik ook kunnen beginnen met mezelf, maar in dat geval zou ik het vak er niet buiten kunnen laten. Dus laten we beginnen met het vak.' Het is een enorm contrast met de strakke formuleringen in de correspondentie die Feltrinelli voert tijdens de Pasternak-affaire in de jaren vijftig.

Inmiddels is hij er ook van overtuigd dat in Italië een rechtse staatsgreep op handen is, zoals die van de kolonels in 1967 in Griekenland. Dat idee wordt een obsessie voor hem, maar het is geen onzin. Hoe extreem zijn conclusies ook waren, de uitgever Feltrinelli had ook als `terrorist' een goede neus voor wat er in de lucht hing. Er waren inderdaad samenzweringen van Italiaanse neofascisten met tentakels in het leger en de veiligheidsdiensten. Extreem-rechtse groeperingen pleegden aanslagen om het klimaat te scheppen voor een coup, precies zoals het in Griekenland was gegaan. Neofascisten waren verantwoordelijk voor de bom die op 12 december 1969 ontplofte bij een bank op de Piazza Fontana in Milaan, waarbij 16 mensen omkwamen en 88 gewonden vielen.

Ironisch genoeg wordt juist Feltrinelli door de politie in verband gebracht met die aanslag. Hij verliest het laatste restje vertrouwen in de Italiaanse rechtsstaat. Dan komt het besluit onder te duiken. `Dit is als de brand in de Reichstag', roept hij opgewonden.

Feltrinelli richt vervolgens de clandestiene Gruppi di Azione Partigiana (GAP) op. De naam verwijst naar de partizanen van de Tweede Wereldoorlog. Hij zoekt samenwerking met de leiders van de Rode Brigades, opgericht in oktober 1970, maar wedijvert ook met hen om wie er als eerste met de spectaculairste acties zal komen. Tot nauwe samenwerking komt het niet, omdat zelfs de brigadisten vinden dat Feltrinelli wel erg hard van stapel loopt. De Rode Brigades staat het Chinese model voor ogen van langdurige strijd, maar voor Feltrinelli is het nu of nooit. Toch draagt hij wel bij aan de financiering van zijn kameraden.

Met zijn zoon houdt hij contact via briefjes. In 1971, als Carlo negen wordt, schrijft hij: `Ik heb momenteel geen groot cadeau voor je: alleen een schelp. Ik heb voorlopig niets anders kunnen vinden. Maar misschien is het mooiste cadeau dat ik je kan geven wel de strijd voor een betere wereld, een rechtvaardiger wereld.'

Carlo Feltrinelli, echter, concludeert nu dat zijn vader is gestorven voor `het meest radicale sprookje'. Het was een dood `zonder de kracht van een symbool', die `een karikatuur maakte van zowel links als rechts'. Feltrinelli's laatste jaren waren niet alleen een voorbode van de golf van politiek geweld die over Italië zou spoelen, maar ook al van het het falen van dat extremisme.

Carlo Feltrinelli: Senior Service. A story of riches, revolution and violent death. Granta Books, 464 blz. E37,80