Onderwijsfraude

De wereld staat op zijn kop. Vroeger waren het studenten die soms een beetje fraudeerden. Ze rommelden wat met hun werkelijke woon- en verblijfplaats om hun beurs iets op te krikken. Dat was niet goed te praten. Nu zijn het hun schoolhoofden die het niet zo nauw nemen. Dat is ernstiger.

Nog kwalijker is het dat de fraude in het hoger beroepsonderwijs (hbo) zich niet lijkt te beperken tot incidenten, maar een structureler patroon doet vermoeden. Uit een onderzoek, dat minister Hermans van Onderwijs bij wijze van `quick scan' heeft laten verrichten, blijkt dat zeker zes hogescholen ruim vijfduizend studenten uit België hebben ingeschreven die nauwelijks onderwijs genoten. Een `win-win-situatie', in modieus managementjargon: wel 30 miljoen euro inkomsten van het rijk, geen uitgaven voor de studenten zelf.

Omdat het onderzoek beperkt was, is niet uit te sluiten dat er onder dit topje een ijsberg schuilgaat. Er zijn meer verhalen die een duistere praktijk doen vermoeden. Bijvoorbeeld over een studente uit Suriname die in Amsterdam wilde studeren, zich inschreef en keurig op voorhand collegegeld betaalde, vervolgens geen visum voor Nederland kreeg, daarna de Hogeschool om restitutie vroeg, maar geen cent terugkreeg hoewel ze nooit één les had kunnen volgen.

De reacties van de meeste hogescholen op het onderzoek wijzen ook in die richting. De meeste instellingen geven hun fouten toe en beloven beterschap, maar verklaren nooit met opzet te hebben gefraudeerd. Ze verdienen nog even het voordeel van de twijfel. Het financieringssysteem van het onderwijs in Nederland, gebaseerd op aantallen geregistreerde studenten en hun studieprestaties tijdens de opleiding, was welhaast een vorm van uitlokking. Wie met zo'n stelsel nog zuiver op de graat blijft en niet gaat rommelen met administraties of exameneisen heeft welhaast bovenmenselijke kracht. Maar nu is uitgekomen dat instellingen de verleidingen niet hebben kunnen weerstaan, kan het hbo maar één ding doen: de eigen organisatie op orde brengen, conform het uitgangspunt dat het geen pas geeft met gemeenschapsgelden (belasting) te sjoemelen, ook niet als het voor een goede zaak (het onderwijs) is.

Intussen heeft minister Hermans zich eveneens in de nesten gewerkt. Toen de eerste signalen over fraude afgelopen najaar naar buiten kwamen, heeft hij iets te rustig gereageerd. Hij zei pas recentelijk op de hoogte te zijn gebracht en kondigde onderzoek aan. Nu is duidelijk dat zijn departement de signalen al eerder, namelijk in 2000, had kunnen opvangen en verwerken. Het is denkbaar dat Hermans zelf inderdaad niets wist. Zijn beleid was er vanaf 1998 op gericht de almacht van het departement, dat decennia met circulaires alles had gereguleerd, voorzichtig te ontmantelen ten gunste van de onderwijsinstellingen zelf. Dat uitgangspunt was goed.

Maar nu dringt de vraag zich op of hij de teugels niet al te nadrukkelijk heeft laten vieren. Hermans kan ook maar één ding doen: het onderzoek naar de hogere onderwijsinstellingen uitbreiden. Voor zowel het ministerie, dat de gemeenschapsgelden beheert en verdeelt, als de academies, die tot taak hebben het peil van de studenten te verhogen, is niets erger dan een voortdurende verdenking van laksheid en onbetrouwbaarheid.