`Nu ben jij de pisang, Blanke!'

`Als jij niet zoet zijn, jij nooit zullen zijn als Kuifje!', foetert een moeder op de laatste bladzijde van Kuifje in Afrika tegen haar huilende zoontje. Door middel van een panoramisch slotbeeld van een negerdorp wordt de diepe indruk vastgelegd die Kuifje en Bobby op de bewoners gemaakt hebben. In een bovenhoek ligt een man geknield ter aarde voor twee goed gelijkende afgodsbeelden van de Belgische reporter en zijn hondje. `En bedenken dat in Europa alle kleine Blanken zijn als Kuifje...' verzucht een man tegen zijn buurman in de andere bovenhoek. `Ik nooit boela-matari zien zullen als Kuifje!' laat een oude man zijn gehoor van drie jongetjes weten.

Boela-matari is Afrikaans voor tovenaar.

Het optreden van Kuifje heeft de bijgelovige Afrikanen ervan overtuigd dat hij een grote blanke tovenaar is. Door een magneet achter een boom te plaatsen zorgt hij ervoor dat de pijlen van een vijandige stam geen doel treffen; met een kininetablet slaagt hij erin de boze geesten uit het lichaam van een jager te verdrijven; hij laat een filmopname zien van de machinaties van hun eigen boela-matari, die een oplichter blijkt te zijn.

Aangezien `Kuifje in Afrika' – het eerste album van Hergé – zeventig jaar geleden verscheen, is er een speciale herdenkingszegel uitgebracht. Niet alleen door België, maar ook door de Democratische Republiek Congo. Dat laatste is opmerkelijk, want het stripverhaal geeft een nogal karikaturaal beeld van het zwarte continent en zijn bewoners. De van zoenlippen voorziene negers praten steenkolen-Nederlands; ze zijn bang, lui en kinderlijk. En ze laten zich manipuleren door de tovenaar, de grote schurk uit menige koloniale roman. Bovendien speelt het verhaal zich niet in het Congolese oerwoud af, maar in de savannen van Oost- en Zuid-Afrika.

Vermoedelijk hebben Kuifje, Arendsoog en Erik de Noorman er veel toe bijgedragen dat ik later geografie en antropologie ging studeren. Nooit hebben mijn ouders, afkomstig uit een geslacht van boeren en turfstekers, deze keuze kunnen begrijpen. Maar zij wierpen dan ook nimmer een blik in `Kuifje in Tibet', `Het gebroken oor', `De krab met de gulden scharen' en `Kuifje en de zonnetempel', en evenmin in mijn boeken over de dolende Noorse koning en het Wilde Westen van Arendsoog. Van exotiek kun je heel goed je beroep maken.

Een duik in mijn jeugdarchief, dat op zolder in dozen ligt opgeborgen, leverde een verfomfaaid, in harde kaft gebonden exemplaar van `Kuifje in Afrika' op. Copyright 1947 staat er voorin. Waarschijnlijk kreeg ik het in 1956 of 1957 cadeau. Daarna dook ik in de Kuifje-bibliotheek van mijn zoon en plukte daaruit hetzelfde album, maar dan met slappe kaft en copyright 1980. Wat blijkt? De plaatjes zijn hetzelfde, maar de tekst is veranderd.

In de eerste plaats is het idioom van het steenkolen-Nederlands gewijzigd. De tovenaar zegt nu niet meer `Ik jou luister', maar `Mij luisteren!' Een boze zwarte man voegt Kuifje eerst toe dat `jij stoute blanke bent', maar later dat `jij slechte Blanke zijn'. Koko, het hulpje van Kuifje, jammert eerst over een `blanke man die mij geslagen heeft', later over een `blanke massa die Zwartje geslagen hebben'.

Je kunt niet echt zeggen dat de taal gemoderniseerd is. Vooral de sprong naar `Zwartje' is een uitglijer. Misschien heeft de verandering van `stoute blanke' in 'slechte blanke' te maken met het dagende inzicht dat men de Afrikaan niet meer als een groot kind behoort voor te stellen. Het helpt natuurlijk niet echt, want het hele album is doortrokken van de idee dat de zwarte ongeremd, redeloos en impulsief is en dat je hem alles op de mouw kunt spelden.

Ook het taalgebruik van Kuifje is aangepast; in 1949 zegt hij: `Ze hebben ons 'n aardige poets gebakken', in 1980 is dat veranderd in: `Nou zijn we lelijk in de aap gelogeerd'. De vervanging van het ene ouderwetse gezegde door het andere lijkt me volstrekt willekeurig.

Dat het stamhoofd van de Rhumbaba's in 1947 heel anders vloekt dan in 1980, is daarentegen een heuse verbetering. `Sapristie!' roept hij eerst stampvoetend van woede uit. `Hel en duivel!' roept hij later. Als hij onder de kreet: `Nu ben je de pisang, Blanke!' op Kuifje afstormt, dan doet hij dat nu anders: `Deze voor jou zijn, vervloekte Blanke!' Een pisang heeft in Afrika niks te zoeken.

In `Kuifje in Afrika' komen geen regelrechte scheldwoorden aan het adres van de negers voor. Kapitein Haddock maakt zich daar wel schuldig aan, maar dan in andere albums. Maar een tierende Haddock is nu eenmaal weinig kieskeurig in zijn vloekwoorden – zelfs `Papoea' en `Patagoniër' veranderen in zijn mond in verwensingen.