Met groenten en bier naar bed

Is het onmacht of opzet? Die vraag drong zich bij het eerste boek van Marja Pruis, De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk, waarin ze het materiaal voor een biografie van Netty Nijhoff transformeerde tot een verhaal over een weinig succesvolle biografe. Pruis etaleerde een onmiskenbaar schrijftalent, maar ook haar onwil of onvermogen om samenhang aan te brengen en zich in te leven in haar personages – zelfs als dat mensen zijn die echt hebben bestaan.

Voor haar tweede boek, Bloem, heeft zij een experimentele romanvorm gekozen, een pastiche op de de literatuur met een grote L, zowel op de negentiende-eeuwse naturalistische romans als op de methode van auteurs als James Joyce. Niet voor niets heet de hoofdpersoon Mollie Bloem, een opzichtige verwijzing naar Molly Bloom, de wellustige echtgenote van Leopold Bloom die James Joyce's Ulysses afsluit met een pagina's lange, interpunctieloze monoloog.

Ulysses gaat door voor `moeilijk', maar in veel opzichten is het toegankelijker dan de puzzel van Pruis. Er zijn veel verwijzingen naar Ulysses. Zo hangt ze haar verhaal op aan een reis, weliswaar niet door maar naar een stad (Wenen) en niet lopend maar per trein. Mollie Bloem krijgt in haar coupé gezelschap van twee medereizigers en uit hun gesprekken, dromen, mijmeringen en herinneringen komt een beeld naar voren van de uiteenlopende manieren waarop een sexy vrouw, een hitsige arts en een veganistische kunstenaar tegen het leven en vooral de liefde aankijken.

Pruis doet er alles aan om te voorkomen dat de lezer zich met haar personages identificeert. In de eerste plaats door het verhaal, voorzover daar sprake van is, te laten vertellen door een commentaarstem, een soort voice over bij willekeurig voorbijschietende beelden. Soms spreekt de commentaarstem Bloem – zoals ze consequent wordt genoemd – ons rechtstreeks toe : `Doe er gewoon maar ouderwets het zwijgen toe, Bloem, zeker in een trein. Voor je het weet denkt iemand je te troosten met een mooi en licht verhaal, met goede afloop toe, en figureer je in een existentialistische novelle die Medereizigers heet, en die later opnieuw uitgegeven zal worden onder de titel Het veilige hotel, waarin een treinreis de wankele kapstok is voor doorgroefde levensgeschiedenissen (...).'

Zonder dergelijke objectiverende intermezzi waarin de schrijfster niet alleen `de' literatuur, maar ook haar eigen aandeel daarin ter discussie stelt, zou Bloem niet veel meer voorstellen dan een kitscherige soapstory over liefde, seks en ontrouw. De levensgeschiedenissen van Bloem en haar medepassagiers zijn banaal en de schrijfster laat die banaliteit intact, zonder er allerlei betekenissen aan toe te kennen. Pruis geeft minimale informatie over haar personages. Van Mollie Bloem weten we niet hoe oud ze is of hoe ze eruit ziet. Wel dat ze geboren is in Mendel, een plaats die wel evenmin zal bestaan als Kloppendhartaanzee. Ze heeft een dood broertje, is voor mannen onweerstaanbaar en treurt over een ex-minnaar die haar in een hotel onder de overkapping aan de Raadloosstraat in Amsterdam heeft verlaten. Over die minnaar en de bedscènes in het hotel droomt ze in de trein naar Wenen, terwijl de hitsige arts Gerard, van wie we nog minder weten dan van Bloem, haar over zijn overspelige relatie met verpleegster Hilde vertelt.

Om te voorkomen dat Bloem in een doktersroman terechtkomt, stapt in Kloppendhartaanzee de revolutionaire beeldend kunstenaar Markus in. Hij is evenzeer een karikatuur als zijn twee medereizigers, maar wil voorkomen dat het leven op een B-film gaat lijken. Deze uitspraak zou wel eens een sleutelpassage kunnen zijn. Kennelijk vindt de verteller in de roman dat het leven een B-film is. Bloem refereert regelmatig aan een derderangs Franse film over seks in een hooiberg die ze met haar gewezen minnaar heeft gezien, voorafgaande aan een `penetratieronde' in een ranzige hotelkamer.

Het boek eindigt in een galerie in Wenen, waar op een tv-scherm een hotelkamer te zien is. Zittend op het bed, slechts gekleed in een beha, kraamt een vrouw voor de camera soapserie-achtige zinnetjes uit. De lezer kent het beeld: het is Bloem die daar zit, althans Bloem zoals ze aan zichzelf terugdacht in de trein naar Wenen.

Is het onvermogen of opzet, deze gefragmenteerde, onpersoonlijke en bewust niet psychologiserende of invoelende manier van schrijven? Over Bloem krijgen we te horen dat `zelfreflectie niet haar sterkste kant is', dat ze `ongearticuleerd' is en een `luie denkster'. `Zij die Bloems gestamel alleen schriftelijk tot zich kunnen nemen, verkeren hoe dan ook in het nadeel', schrijft Pruis.

Inderdaad, gestamel. Gelukkig krijgt Bloem af en toe hulp van de voice over die het vooral erg goed doet bij seksscènes. Bloem denkt voornamelijk aan seks en Pruis doet daar op een originele manier verslag van. `Ze wist niet hoe gauw ze zich thuis op bed moest laten vallen, op haar buik, met haar hand tussen haar benen, haar telefoon tussen haar benen, met de hele groentela tussen haar benen, en het kratje bier niet te vergeten. Ze was vol, maar het kon altijd nog voller. De splinters zaten in haar handpalmen, opgedroogd sperma in haar hals, maar het kon nog meer.'

Bloem haalt nogal wat uit de kast om haar innerlijke leegte te compenseren. Ik hou het akelige gevoel dat iets dergelijks ook voor het boek geldt: een scenario voor een B-film, postmodern opgetuigd met verwijzingen naar de wereldliteratuur.

Marja Pruis: Bloem. Nijgh & Van Ditmar, 142 blz. €15,90