Het wezen van een bokser

Muhammad Ali was de sterkste bokser ter wereld. Hij is nog steeds een sterfelijke god. Over zijn leven maakte Michael Mann een film: `Ali'.

Op een warme nazomermiddag in oktober 1954 ging de 12-jarige Cassius Clay op zijn gloednieuwe fiets naar de jaarmarkt om gratis ijsjes, snoepjes en chocolade te halen. Toen hij uitgegeten was, zocht hij zijn fiets. Weg! Eerst huilde hij een beetje. Toen werd hij kwaad. ,,Als ik de dader vind, sla ik hem verrot!''

Clay bezocht een boksschool voor het geval hij ooit de dader zou vinden. Hij werd viervoudig wereldkampioen dankzij een fietsendief.

Zo gaat de anekdote die keer op keer is opgetekend. Er zijn meer dan 57 biografieën en documentaires over het leven van Muhammad Ali gemaakt. Dat is véél. En daar is er weer een bijgekomen: de film Ali. `Forget what you think you know' staat er met indringende rode letters op het witte doek. Daaronder, nog groter: ALI. Regisseur Michael Mann wilde, zo liet hij weten, met deze film `the essence of Ali' vangen. En om de essentie te kunnen proeven, moeten we ons eerst leegmaken, bereid zijn om als onbeschreven blad de film binnen te stappen.

Dat nu is vrijwel onmogelijk. Want wie heeft niet de eens zo fiere Ali zien bibberen bij de Olympische Spelen, toen hij in 1996 het vuur aanstak? Deze indrukwekkende beelden maakten mánnen aan het huilen, zoals het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima vooral vrouwen deed snotteren. Sportjournalist Hugo Camps verwoordde met de nodige humor en ironie de overweldigende ontroering die hem en vele andere mannen overviel toen ze de boksgod met trillende handen het eeuwige vuur zagen ontsteken. ,,Ali transcendeerde in het schijnsel van een fakkel. En ik wilde mee, de hoogte in.''

Verafgoding is tegenwoordig kenmerkend voor de meeste Ali-exegeten. De bokser wordt vooral voorgesteld als een spiritueel vredessymbool voor liefde, hoop en geloof. Zanger R. Kelly vergelijkt hem in `The World's Greatest', de wat softe titelsong van Ali, met natuurlijke adembenemende fenomenen als een `rivier', de `wind', een `ster in de hemel', een `berg', een `reus' en, meer abstract, met `hoop'. De popgroep Faithless zingt: ,,I want to know who you are!'' en besluit dat `humble words in praise' meer op zijn plaats zijn.

Hoewel Mann in interviews benadrukt dat hij Ali niet wil verafgoden – ,,als je hem idealiseert, verminder je zijn menselijkheid'' – is ook Ali een prachtige meditatie-oefening in de vorm van een lange videoclip-ode: wij bidden tot het Wezen van Ali. Ali begint in 1964, als Ali vecht tegen Sonny Liston en eindigt in 1974, als Ali George Foreman in Zaïre verslaat, de `Rumble in the Jungle'. Het beeld waarmee Mann ons achterlaat is het hoogtepunt van Ali's carrière. We zien Ali als kampioen, met zijn handen in de lucht: ,,Ik ben de koning!'' Geen Parkinson-beelden, geen corpulent lijf à la Elvis Presley, geen aftakeling. Het boksen ziet er zo prachtig uit dat je de klappen niet voelt, maar het geweld ervaart als dansen of zweven.

We vergeten, voor zolang als de film duurt, de tragische werkelijkheid van Ali's fysieke degeneratie en concentreren ons op zijn onsterfelijke kwaliteiten. In Ali wordt hij voorgesteld als een zwarte Jezus, Boeddha, Mozes,een profeet, en worden aan hem behalve spirituele, ook bovennatuurlijke krachten toegeschreven: ,,You're Superman and there ain't no cryptonite in this ring'', zegt zijn coach. Het meest onwerkelijke moment in de film zijn de schitterende slowmotion-beelden van Ali, zweefjoggend door Zaïre met een juichende stoet zwarte kinderen achter hem aan als een karavaan, begeleid door spirituele Afrikaanse muziek. Alsof dat niet genoeg is, wordt hij ook nog in één adem genoemd met Nelson Mandela, Martin Luther King en Gandhi om zijn politieke belang voor de bevrijding van zwarten te onderstrepen. De verafgoding bevalt de bokser zelf overigens uitstekend, zo kunnen we uit de film opmaken. Hij noemt zich `The Greatest', `de koning van de wereld' en `een bokser met een missie'.

Ali overstijgt in de mythevorming, opmerkelijk genoeg, zijn eigen lichamelijkheid als bokser en het fysieke geweld dat daar aan te pas komt. De meeste boksers worden doorgaans niet met goden, maar met dieren vergeleken, vooral in negatieve zin. Het boksen, zoals dat in Amerika bestaat, is uit de slavernij ontstaan tot amusement van blanke plantagehouders. De bokser bevestigde de lagere status van de zwarte `lichamelijke', `dierlijke' en `primitieve' man ten opzichte van de blanke `denkende' man. ,,Boksers zijn gewoon dommekrachten die de rijken moeten vermaken. Sla je met zijn tweeën in elkaar en breek elkaars neuzen, stel je aan als twee aapjes voor het publiek, maak elkaar af voor het publiek.'' Aldus Ali in een interview in juni 1970 met The Black Scholar, een toonaangevend intellectueel tijdschrift over Afro-Amerikaanse politiek en cultuur.

Deze terugkerende vergelijking met de aap is suggestief: de zwarte bokser is blijven steken op de evolutionaire ladder. Met name de bokser Sonny Liston, bepaald geen publiekslieveling, werd veelvuldig vergeleken met een `gorilla'. Een journalist van The Daily Mirror schreef zelfs dat zijn handen ,,zacht en blank waren, als de binnenkant van een bananenschil'' en dat zijn vingers ,,ongepelde bananen'' waren. Op het graf van Sonny Liston staat: Charles `Sonny' Liston, 1932-1970. Een mens. Alsof hij zijn menselijkheid moest bewijzen of verdienen.

Boksers maken soms zelf gebruik van de beeldvorming en zetten de zwarte vechtaap in om uitdrukking te geven aan `black power'. Mike Tyson (`Iron Mike') liet zich bijvoorbeeld tijdens zijn carrière portretteren als King Kong en maakte dit imago vervolgens geheel waar door zich zowel in als buiten de ring als zodanig te gedragen: hij beet onder meer een oor van zijn tegenstander af.

Gekoppeld aan de dierlijkheid van de zwarte mannelijke bokser zijn twee andere clichés: seksuele agressie en taalloosheid. Wie zijn vuisten in de ring gebruikt, doet dat vermoedelijk ook in bed. Mike Tyson voldoet aan dat cliché: hij werd meerdere malen opgepakt voor geweld tegen vrouwen. En: wie één en al lichaam is, is waarschijnlijk dom. Een bokser hoeft dus geen volzinnen te produceren, hij communiceert met zijn handen en stoot hooguit enkele oerklanken uit. Een slimme bokser is een contradictio in terminis. Onlangs bevestigde Regilio Tuur nog eens het imago van de domme bokser toen hij bij de BNN IQ-test een score van een bijna-zwakbegaafde haalde. Interessant in dit verband is het productieteam van Mann. In het promotiemateriaal van Ali worden de medewerkers geïntroduceerd met lange lijsten van films waaraan zij eerder meewerkten, om zo de opgebouwde expertise aan te tonen. Daar zitten een paar boksdeskundigen tussen, maar de meeste deskundigen blijken vooral gespecialiseerd te zijn in zwakzinnigen- of dierenfilms: zij maakten onder meer Forrest Gump (een tamelijk cultuurkritische film over een zwakzinnige Amerikaan die een `geniale' held wordt en net als Ali al joggend een schare kinderen achter zich aan krijgt), The Horse Whisperer (over een man die met paarden kan praten), Rain Man (over een autist met een bijzonder talent) Gorillas in the Mist (over de zachtaardige gorilla's), What's Eating Gilbert Grape (over een zwakzinnige jongen).

Toch stijgt Ali boven alle (zwarte) boksersclichés uit. Aan hem worden weliswaar dierlijke eigenschappen toegeschreven, maar dan vooral in positieve zin. Hij is geen grommende gorilla of een briesende stier, maar een fiere leeuw, een `lion in the jungle' zoals R. Kelly zingt. Dave Remnick schrijft in zijn biografie Koning van de hele wereld dat Ali's vingers ,,fladderen als de vleugels van een vogel'', terwijl hij kan ,,lopen als een hert'' en ,,sterk is als een beer''. Ali zelf meent dat hij ,,zweeft als een vlinder en steekt als een bij'' en noemde zijn bedrijfje, wellicht iets minder galant, GOAT (Greatest of All Times).

Ali komt bovendien naar voren als een slimme bokser, die de ene na de andere volzin produceert. Zijn `geniale' boksrijmpjes zijn niet bepaald dom – de zwarte dichteres Maya Angelou gaf onlangs te kennen dat ze Ali als dichter bewonderde. En Ali heeft met zijn halfnaakte lijf in de ring weliswaar een sterke seksuele uitstraling, maar hij is eerder elegant en sierlijk dan gevaarlijk. Bracht Elvis, de blanke koning van de populaire cultuur, met zijn wiegende heupen de vrouwen het hoofd op hol, Ali werd wegens zíjn dansje, de befaamde Ali-shuffle, een `boksende ballerina' genoemd (`ballerino'). ,,Look at me: I'm still pretty as a girl!'' roept Ali na het vechten. ,,Ben ik niet mooi?''

Al te vrouwelijk moet de bokser natuurlijk niet worden. In Ali scheldt de coach Ali uit voor `sissy' als hij dreigt te verliezen. Het verliezen in de ring wordt echter ruimschoots gecompenseerd door Ali's grandioze succes bij de zwarte vrouwen. De seksscènes zijn elegant, bepaald niet roofdierachtig. Ali is een sensuele man die ook in bed sexy kan dansen. In Ali wordt zijn terugkerende overspel bovendien `verzacht': niet alleen geeft hij grootmoedig en vol zelfkennis zijn eigen zwakte toe en waarschuwt hij de vrouwen van tevoren (`weet waar je aan begint!'), ook zien we hem voortdurend als attente en zorgzame vader in pak met een kind op de arm.

Het is vooral Ali's dappere weigering om buiten de ring te vechten die hem tot vredesduif maakte, een aspect dat in Ali breed wordt uitgemeten. ,,I ain't got no quarrel with the Vietcong'', zo lichtte Ali zijn dienstweigering toe. ,,Ain't no Vietcong ever called me nigger.'' Anders dan bijvoorbeeld Tyson nu, slaagde Ali er al vroeg in zijn bokscarrière in een grens aan te brengen tussen het geweld in de ring en buiten de ring. Ironisch genoeg maakte de weigering te vechten hem destijds juist tot `Public Enemy Nr. 1' van de Verenigde Staten. Hij kreeg een gevangenisstraf opgelegd en een boksverbod. De Amerikanen wilden van Ali dezelfde vechtlust binnen èn buiten de ring. De grenzen tussen wereld en boksring vervaagden daarmee. Vietnam werd een boksring, zoals de boksring een plek was waar politieke en raciale conflicten werden uitgevochten, bijvoorbeeld tussen `goede' en `slechte' negers, blanken en zwarten, christenen en moslims. Bij Ali's gevechten stond meer op het spel dan het gevecht: zwarte trots en bevrijding van de zwarten waren de inzet. Elke overwinning van Ali symboliseerde ook een overwinning voor de Black Muslims. Om dat duidelijk te maken, werd Ali in de onlangs door RTL 5 uitgezonden documentaire Through the Eyes of the World getypeerd als een vechtlustige Black Muslim die het in de ring symbolisch opnam tegen de blanke `Paki-rammers' die het leven in Londen, buiten de ring, onveilig maakten. Jose Torres, oud-bokser en biograaf van Ali, bracht in dezelfde documentaire een van de grote overwinningen van Ali als volgt onder woorden: ,,Ik weet nog dat hij Cleveland `Big Cat' Williams acht keer achtereen op de kaak raakte. Pang. Ping Pang. Ping. Pang pang. Poingggg. Die kerel stortte gewoon in als een enorm gebouw.'' We zien de Black Muslim voor ons, wiens klap een andere man doet instorten als een gebouw. Als de tegenstander het gebouw is, dan denken we nu onbewust aan Ali als een vliegtuig.

Ali mag door sommigen dan met een vliegtuig worden vergeleken, bijna veertig jaar later houdt hij nog altijd vast aan zijn vredesmissie en roept hij moslims op zich niet tot het Kwaad te laten verleiden. Vertegenwoordigde hij eerder als Black Muslim het Kwaad en de Vijand van Amerika, nu staat hij voor het Goede en beschermt hij Amerika tegen het Kwaad. Hier en daar is voorzichtig terechte kritiek geuit op Ali's ommezwaai tot knuffelbeer en onsterfelijke spirituele held van Amerika, vereerd door blank en zwart. Laten we niet vergeten dat dezelfde (blanke) Amerikanen hem ooit in de steek lieten en dat Ali op zijn beurt separatistische en seksistische uitspraken deed – die grotendeels worden verzwegen in Ali (,,een zwarte zou gedood moeten worden als hij zit te rotzooien met een blanke vrouw'').

Ali laat zich niet vangen in clichés: hij is de vredeminnende Amerikaanse Black Muslim-vechter, een sterfelijk god, een sierlijke seksbom en een slimme bokser, althans, de bokser van wie nooit helemaal duidelijk werd hoe slim hij nu eigenlijk was. Heeft hij zelf de touwtjes in handen of is hij (nog altijd) een speelbal van anderen die hem op handige wijze weten te gebruiken voor hun belangen? Hoewel Ali in de mythevorming het lichamelijke is ontstegen en wordt vereerd als bokser, dichter en wijze man, keert de twijfel aan Ali's slimheid in de beeldvorming op subtiele wijze steeds terug. Heel even wordt bijvoorbeeld in Ali, zo subtiel dat het nauwelijks opvalt, gesuggereerd dat de rijmpjes niet van Ali zelf zijn, maar van zijn onbetrouwbare en verslaafde vriend. Ook herinnerde ik mij – vrijwel onmiddellijk nadat ik gelezen had dat ik `moest vergeten wat ik dacht te weten' – Ali als figurant in een mop van de lagere school. Het grapje gaat over Ali en zijn gestolen fiets: Muhammad Ali gaat op zijn fiets naar de bioscoop. Daar aangekomen, doet hij die fiets niet op slot, maar hij legt een briefje op het zadel. ,,Als je mijn fiets afpakt, kom ik je achterna! Groeten, Muhammad Ali.''

Twee uur later. Film afgelopen; Ali komt weer naar buiten.

Fiets weg!

Dan ziet hij een briefje op de plaats waar zijn fiets stond. ,,Pak me dan, als je kan!'' Was getekend: Joop Zoetemelk.

Muhammad Ali: hij was de sterkste bokser ter wereld, een sportgod die je 's nachts beter niet op straat kon tegenkomen. Maar wie niet sterk is, moet slim zijn. Wij hadden Joop!

Zoetemelk mocht dan de `eeuwige tweede' genoemd worden, hij was de sterkste man ter wereld te slim af. Ik vond het destijds een geweldig leuke mop. Later, veel later pas, hoorde ik tot mijn verbazing dat het verhaal van Ali en zijn gestolen fiets echt gebeurd bleek te zijn. Ali werd een wereldkampioen dankzij onze wereldkampioen wielrennen.

Was de mop gebaseerd op de waarheid, of was de waarheid die keer op keer verteld zou worden, wellicht op deze grap gebaseerd? Je zou bijna vergeten wat je dacht te weten.

`Ali' gaat op 7 maart in première. `De koning van de hele wereld. Muhammad Ali. Een heldenleven' van David Remnick is verschenen bij de Arbeiderspers.