Het haasje

De Maas jaagt met grote snelheid. Boomkruinen steken als drenkelingen boven het water uit. De dijk waar ik sta is hoog. Aan de andere kant van de rivier zijn de weilanden ondergestroomd. Op een smalle landtong, net boven water, zie ik een dier op en neer rennen.

,,Wat is dat voor een dier?'', hoor ik mijn overleden vader vragen.

,,Het is een haas, pap.''

,,Waar kun je dat aan zien?''

,,Aan zijn lange achterpoten en de snelheid waarmee hij rent en ik zie ook geen wit staartje.''

Lang blijf ik kijken. De hele dag bedenk ik reddingsscenario's, maar geen ervan is uitvoerbaar.

's Avonds kom ik terug op dezelfde plek. Het water is gestegen. De landtong is weg.