Groei lokale partijen maakt gemeenteraad steeds nationaler

Dat de gemeenteraadsverkiezingen nu volop in de nationale politiek worden getrokken, komt door de spectaculaire groei van lokale partijen. Hun opkomst zegt steeds meer over het beleid op nationaal niveau, menen Arnold Heertje en Bram Peper.

De gemeenteraadsverkiezingen van aanstaande woensdag worden ongemeen spannend. Niet omdat, na 150 jaar, zich een stille revolutie voltrekt in de Nederlandse gemeenten. Want de mensen dachten al dat de gemeente wordt bestuurd door burgemeester en wethouders (B & W), en dat de gemeenteraad dat bestuur controleert. Dat is nu wettelijk vastgelegd, waardoor wethouders geen lid meer mogen zijn van de raad, maar zelfs van buiten mogen worden aangetrokken.

Zo is het veelbesproken oud-Kamerlid Rob van Gijzel gevraagd wethouder te worden in Eindhoven. Met het nieuwe stelsel wordt terecht een einde gemaakt aan de ongezonde situatie dat wethouders want tevens lid van de gemeenteraad zichzelf controleren. In jargon: van monisme naar dualisme in de gemeentepolitiek.

Die verkiezingen worden spannend, niet omdat de VVD de belangrijkste eigen inkomstenbron van de gemeente — de onroerendzaakbelasting (OZB) — wil afschaffen. Dat zal niet gebeuren. Over deze onderwerpen gaan de lokale verkiezingen niet.

Door het groeiende takenpakket dat sinds het midden van de jaren tachtig naar de gemeenten is overgeheveld decentralisatie dus , hebben de landelijke partijen de laatste gemeenteraadsverkiezingen een grote terughoudendheid betracht om deze verkiezingen tot inzet te maken van een nationale krachtmeting. Dat was verstandig beleid. Laat de bevolking ter plaatse maar `afrekenen' met de prestaties van politici en politieke partijen. Daar is men nu kennelijk op teruggekomen.

Dat de gemeenteraadsverkiezingen nu zo spannend worden en volop worden `genationaliseerd', heeft waarschijnlijk alles te maken met de sinds 1994 spectaculaire groei van lokale partijen van allerlei slag. Waren deze vroeger in hoofdzaak te `lokaliseren' in plattelandsgemeenten (zoals Gemeentebelangen), sinds een aantal jaren rukken lokale partijen krachtig op in stedelijke of stedelijk getinte gebieden (Leefbaar Utrecht, Hilversum, Almere, Assen, Vlissingen, enzovoort). Daarmee hebben veel lokale partijen hun strikt lokale karakter verloren en zeggen zij iets over het beleid op nationaal niveau. De leefbaarheidsbeweging is daarvan hét voorbeeld.

Te verwachten valt dat 25 à 30 procent van de kiezers op lokale partijen zal stemmen. Bij een te verwachten lage opkomst en bij een relatief hogere opkomst van de `lokale' stemmers zal de winst- en verliesrekening van de gevestigde partijen, ook in hun onderlinge verhouding, een geweldige verschuiving te zien geven. De geruststellende mededeling die vroeger werd gedaan dat de lokale stemmen zich bij nationale verkiezingen over de nationale partijen zullen verdelen, gaat nu veel minder op. Een groot deel van die lokale stemmen zal rechtstreeks richting Leefbaar Nederland en de lijst-Pim Fortuyn gaan.

Door zich zo nadrukkelijk in de lokale strijd te werpen, roepen de kopstukken van de nationale partijen een zéér vertekend beeld over zich af. Een beeld dat voor die partijen het gevaar in zich draagt een zichzelf bevestigende profetie te worden. Partijen die over weinig trouwe kiezers (meer) beschikken zoals de Partij van de Arbeid, D66 en de VVD zullen hier onder lijden. Het CDA kan er in de beeldvorming mogelijk beter uitkomen; veel slechter kan niet, na de dramatische verliezen van 1994 en 1998. Toch vist het CDA ook in een leger wordende vijver.

Deze situatie maakt de parlementsverkiezingen van 15 mei aanstaande nóg spannender en dramatischer. Bijzondere en bijzonder geloofwaardige acties en beleidsvooruitzichten zijn nodig om nieuwe kiezers te trekken, en de oude vertrouwde kiezers te behouden. Welke acties dat zullen zijn, is tot op heden onduidelijk gebleven, als men hoe belangrijk ook de sleetse grammofoon van onderwijs, zorg, verkeer en veiligheid even als `afgedraaid' beschouwt. Een louter beroep op saamhorigheid is ontoereikend om het tij te keren.

Die geloofwaardigheid neemt niet toe als men het openlijk gekrakeel aanschouwt waar de paarse partijen zich aan overgeven. Als de samenstellende delen van Paars weglopen voor het gevoerde beleid maakt dat geen sterke indruk. Er is immers voldoende gepresteerd om mee voor de dag te komen. Achteraf moet men vaststellen dat de nadruk erg heeft gelegen op de kwantitatieve groei van productie, inkomen en werkgelegenheid, met te weinig aandacht voor de kwalitatieve, duurzame kanten van de samenleving. In een samenleving die zich rijk voelt, zijn er in de sfeer van leefbaarheid aanzienlijke tekorten ontstaan.

Tot de essentie van een democratie behoort de vrije toegang tot de politieke arena voor nieuwkomers. Zij houden het systeem scherp en oplettend. Leefbaar Nederland en Pim Fortuyn zullen de Tweede Kamer ongetwijfeld betreden. Regeren is echter een andere zaak. Van een regering mag worden verwacht dat zij op een inspirerende wijze een koers uitzet, om daarmee een meerderheid te mobiliseren. Méér dan de altijd wat kunstmatig overkomende contacten met `de' kiezers zo vlak voor de verkiezingen is het van belang die koers op een enthousiasmerende en duidelijke wijze over te brengen. Met de televisie zijn de nationale politici `huiskamergenoten' geworden. Op lokaal niveau is het directe contact veel belangrijker.

Van de regering wordt verwacht dat zij Nederland in ruimte en tijd op de kaart zet. In de ruimte door de inbedding in Europa en de wereldeconomie, in de tijd door de aandacht voor de belangen van toekomstige generaties. Het gaat om het agenderen van essentiële thema's voor het publieke debat, zoals de ruimtelijke ordening, de veiligheid in mondiaal opzicht en Nederland als kenniseconomie.

In dat kader past ook het verminderen en opheffen van de spanningsvelden tussen regelgeving en handhaving, en tussen beleid en uitvoering. Als de overheid zelf de hand licht met de handhaving van eigen regels in Tiel, Volendam, Enschede en de haven van IJmuiden, dan is er iets grondig mis. De geringe aandacht bij beleidsmakers inclusief het parlement voor de aard en mogelijkheid van de uitvoering, grenst aan minachting jegens de uitvoering op de werkvloer.

Omdat er van de leefbaarheidspartij(en) in de landspolitiek weinig gezaghebbende regeerkracht is te verwachten, zijn de gevestigde partijen uitgenodigd voor een geloofwaardige eindsprint. Die wordt niet ingezet met spierballentaal van een hoog `bolletjeskarakter'. De partijen die willen regeren zullen de kiezer duidelijk moeten maken welke organisatorische slag zij willen maken om de huidige, acute problemen op te lossen en welk concreet beeld zij hebben van Nederland in 2010.

Dr. A. Heertje is hoogleraar in de geschiedenis van de economie aan de Universiteit van Amsterdam; dr. A. Peper is oud-burgemeester van Rotterdam en oud-minister van Binnenlandse Zaken.