Grens gezamenlijk belang Amerika en Europa is bereikt

`Simplisme' verweet Frankrijks minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, de Amerikaanse buitenlandse politiek. De man zal last hebben gehad van opvliegers, sneerde Colin Powell, Védrine's Amerikaanse ambtgenoot, vervolgens. De Atlantische wereld was weer terug bij haar cliché's. Amerika speelt daarin de rol van simpele cowboy die eerst schiet en niet denkt. Europa is de oudere tante die haar beste tijd heeft gehad en maar beter haar mond kan houden. De werkelijkheid is dat Amerika en Europa de grens hebben bereikt van wat zij zien als gemeenschappelijk belang.

De Franse `opvliegers' waren een directe reactie geweest op eerdere beeldspraak. President Bush had in zijn State of the Union-boodschap gesproken van de ,,As van het Kwaad'. Niet alleen had hij appels en peren in een mand gelegd, hij had in het voorbijgaan ook een vergelijking gemaakt met de vijanden uit de Tweede Wereldoorlog. Bush is onhandig bij het kiezen van zijn beelden. In zijn eerste grote rede tot het Congres na de elfde september had hij van een kruistocht gesproken om aan te geven hoe de internationale terreur bestreden moest worden. Dat dit door de gehele islamitische wereld als een pure provocatie werd uitgelegd, kon zijn bedoeling niet zijn geweest. Hem was er, gelet op andere uitspraken, juist alles aan gelegen om het Amerikaanse trauma niet te laten verworden tot een `clash of civilizations'.

Inmiddels heeft Bush zijn wijn flink aangelengd. Van de As van het Kwaad is een paar weken later alleen Irak overgebleven. Iran is wel degelijk een dubieus land, maar de regering in Washington blijkt meer oog te hebben voor de nuances daar dan in de presidentiële boodschap over de toestand van de natie werd gesuggereerd. Ten aanzien van Noord-Korea zijn de laatste dagen zelfs verschillende verzoeningspogingen gedaan. Aan de bestandslijn die het schiereiland doorsnijdt, liet Bush weten niet van plan te zijn het Noorden binnen te vallen. Te gast in Peking bezwoer hij de Chinese leiders hand-en-span-diensten te verrichten bij het hervatten van de dialoog met het Noord-Koreaanse regime. Niet dat Amerika van plan was geweest om een halve eeuw gewapende vrede in een nieuwe oorlog met het Noorden te laten uitmonden, maar de venijnigheden van de afgelopen maanden hadden wel als voorbereiding op gewapende escalatie begrepen kunnen worden.

Dan Irak. Aan Amerikaans verlangen om in dat land nog dit jaar een machtswisseling tot stand te brengen behoeft niet te worden getwijfeld. Lang voor de elfde september hadden presidentiële adviseurs duidelijk gemaakt dat zij genoeg hadden van de `containment' van Saddam Hussein uit de Clintonjaren. Het karwei moest worden afgemaakt, viel te vernemen. Bedoeld werd dat de Golfoorlog van 1991 onverhoopt niet tot de val van Iraks heerser had geleid, dat de man integendeel en ondanks de internationale sancties vaster in het zadel was komen te zitten, dat hij verder werkte aan het verkrijgen van massavernietigingswapens, dat hij een gevaar is, niet alleen voor de regio maar ook voor landen daarbuiten.

Vooral die laatste constatering betekende een verschuiving van prioriteiten. Het ongedaan maken van de verovering van Koeweit had destijds in de eerste plaats tot doel gehad te voorkomen dat Saddam een machtsmonopolie zou verwerven aan de Golf, de belangrijkste olieleverancier van het Westen. De containmentpolitiek heeft dat gevaar in de volgende jaren voldoende geneutraliseerd. De parallel verlopende liquidatie onder internationaal toezicht van de Iraakse arsenalen was een met dank geïncasseerd gevolg van de overwinning op het slagveld, maar was niet het doel van de operatie geweest. (Vóór Saddams Koeweitse avontuur was Irak een partner van westerse landen, die tijdens zijn oorlog met Iran door Amerika zelfs uit de nood werd geholpen.)

Uit recente uitlatingen van Amerikaanse kant kan worden afgeleid dat nu het onschadelijk maken van Iraaks vermogen massavernietigingswapens te verkrijgen de hoogste prioriteit heeft gekregen.

Hoe dat moet gebeuren is intussen nog een vraag. Het ligt voor de hand eerst de formele weg te volgen. Er bestaat nog steeds een opdracht van de Verenigde Naties aan Irak om, na een onderbreking van enkele jaren, internationale inspectie opnieuw mogelijk te maken. Er zijn verschillende scenario's bedacht om dit bevorderen. Zo zouden nieuwe, `slimme' sancties slechts sectoren van strategisch belang treffen. Op die manier zou Saddam nog eenmaal een kans worden geboden om mee te werken. Doet hij dat niet dan ligt de verantwoordelijkheid vervolgens geheel bij hem.

Maar voor sommigen in de Amerikaanse regering is dit al niet meer voldoende. Ook een toegeeflijker Saddam blijft in hun ogen Saddam, die alles in het werk zal stellen om opnieuw de gang van zaken te saboteren. Zij zijn de pragmatici van de Afghaanse oorlog, van het handelen naar bevind van zaken. Wat er na Saddam komt, hoe de regio er dan uitziet is voor hen van minder zorg dan een Irak mèt Saddam, zoals een Afghanistan zonder Talibaan en Osama bin Laden onder alle denkbare omstandigheden als beter wordt beschouwd dan een `Afghanistan met' geweest zou zijn.

Daar ligt het meningsverschil met de Europese bondgenoten. Als typische status-quo-landen zijn de Europese staten huiverig om zelf een bestaande machtsbalans te doorbreken. Als andere staten of groeperingen dat doen Irak in Koeweit, de zelfmoordterrroristen in New York en Washington zijn zij solidair met tegenactie. Maar onder voorwaarde dat die tegenactie een rechtstreeks verband heeft en houdt met het gevaar waartegen wordt opgetreden. Zelfs het inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag onmiddellijk na de elfde september gebeurde niet onvoorwaardelijk. De VS dienden aan te tonen dat de aanslagen van buiten Amerika waren geïnitieerd alvorens het bewuste artikel in werking kon treden.

Vandaar ook het Europese wantrouwen jegens de Amerikaanse stelling dat Irak betrokken was bij de aanslagen van vorig jaar. Die stelling verdoezelt Amerika's ware beweegredenen, zoals uiteengezet. Dit verschaft de Europeanen een extra reden voor behoedzaamheid. Maar, zo zou een Amerikaanse redenering kunnen luiden, zelfs als Saddam niet de hand heeft gehad in de aanslagen van vorig jaar, blijven er genoeg redenen, ook en vooral voor Europa, om een eind aan diens regime te wensen. Misschien klopt die redenering ook nog wel. Daarentegen zijn Europeanen gewend om met het ongewisse te leven, onder het belangrijke voorbehoud niet zelf het ongewisse meer dan strikt noodzakelijk te bevorderen. Of die levenshouding iets te maken heeft met `opvliegers'?

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.