En de camera snort maar voort

In zijn eerste roman voerde Arthur Japin twee historische figuren op: Kwame en Kwasi, twee onfortuinlijke Ghanese prinsen afkomstig van de Goudkust. Zij werden min of meer geadopteerd door Willem I, bij wijze van levende, zwarte poppen. Te bewijzen valt het niet, maar ik vermoed dat De zwarte met het witte hart (1997) minder enthousiast zou zijn ontvangen als de twee prinsen helemaal uit zijn schrijversduim waren gezogen. Omdat zij historische figuren waren, kon hun onwaarschijnlijke geschiedenis zijn dramatische en ontroerende uitwerking krijgen. Natuurlijk voegde Japin van alles aan de feiten toe om zijn verhaal mooi rond te krijgen: dialogen, gedachten, brieven, overwegingen, couleur locale, extra personages en veel figuranten. Zelfs liet hij Multatuli aan het eind nog even in het boek opduiken, voor wat extra spanning tussen feit en fictie.

Zijn tweede roman, De droom van de leeuw, lijkt op het eerste gezicht nauwelijks op zijn voorganger. Geen historische roman deze keer, maar een eigentijds verhaal over theater en film, dat zich gedeeltelijk in Amsterdam, maar vooral in Rome afspeelt, begin jaren negentig. Anders is ook de stijl, die veel gekunstelder, theatraler en wijdlopiger is dan die van De zwarte met het witte hart. Toch is er ook een opvallende overeenkomst tussen de twee romans. Voorin De droom van de leeuw staat vermeld dat de romanfiguren en de gebeurtenissen producten zijn van de verbeelding, maar ook hier werkt Japin wel degelijk met bestaande feiten, die hij uitwerkt en ombouwt tot een min of meer eigen verhaal. De hoofdfiguur is een beroemde Italiaanse regisseur op leeftijd, die Snaporaz heet en duidelijk is gemodelleerd naar Fellini en vernoemd naar diens alter ego in Città delle donne. Net als de echte Fellini maakte hij films over Rome, La dolce vita onder meer. Net als Fellini kreeg hij verschillende Oscars, werkte hij veel samen met Marcello Mastroianni en maakte hij vlak voor zijn dood, in 1993, een reclamefilmpje voor een grote Italiaanse bank. Daarin figureerde een Nederlandse vrouw, met wie hij een verhouding had.

Doopceel

Bijna alle aandacht gaat in De droom van de leeuw naar die Nederlandse vrouw, Gala Vandemberg. Haar doopceel wordt gelicht, om zo te zeggen. Zij krijgt een problematische familie-achtergrond toebedeeld, een veeleisende vader vooral, maar ook een trouwe vriend die haar door dik en dun steunt. Verder moet ze het doen met een tamelijk argeloos karakter, een sterke wil en enkele handicaps, zoals een epileptische aanleg en een blinde vlek, een gezichtsbeperking. Zij wordt geportretteerd als een tamelijk wulpse vrouw met impulsieve neigingen. In haar jeugd wilde ze nog wel eens met dingen smijten naar haar vader, als ze boos op hem was. `Dat kon een kleurpotlood zijn of een servet, maar evengoed een boek of een bord warm eten.'

Ook dit personage blijkt niet geheel aan Japins fantasie ontsproten te zijn. Zij vertoont althans een opvallende gelijkenis met Suzanne, de heldin van De laatste vrouw (1994) van Rosita Steenbeek, een roman met een sterk autobiografische inslag. Zoals Rosita Steenbeek ooit een verhouding had met de 70-jarige Fellini, zo heeft Suzanne in De laatste vrouw een verhouding met de 70-jarige Marcello Leoni en Gala in De droom van de leeuw met de 70-jarige Snaporaz. Ook andere situaties en figuren uit de roman van Steenbeek keren terug bij Japin, zoals de enge Siciliaanse psychiater die voor veel geld vrouwengezelschap koopt, het vadercomplex dat een frisse, jonge vrouw steeds maar weer in bejaarde armen drijft en de toevallen waaraan zij regelmatig ten prooi valt omdat zij wel eens vergeet haar pillen tijdig in te nemen.

Eigenaardig, deze `remake' van een bestaand, nog niet zo oud verhaal. Japin zelf zal waarschijnlijk liever van intensivering spreken of van intellectuele verdieping. De accenten liggen bij hem duidelijk anders dan bij Steenbeek. Bij haar was er de betrekkelijk eenvoudige geschiedenis van een vrouw die met zogeheten vrouwelijke middelen hogerop probeert te komen. Bij Japin wordt diezelfde vrouw niet alleen opgevoerd, maar ook geobjectiveerd. Zij krijgt een dubbelrol. Aan de ene kant is zij `gewoon' Gala, een Nederlands meisje van tegen de dertig dat haar best doet om aan werk en aan geld te komen en dat er alles voor over heeft om een filmrolletje in de wacht te slepen. Haar relatie met de brave Maxim offert ze er graag voor op. Maar we zien haar ook als een soort filmpersonage, vanuit het vertellers- en regisseursstandpunt van Snaporaz. Hij is degene die, royaal gesouffleerd uiteraard door Japin, de touwtjes van het verhaal in handen houdt. Hij opereert vanuit Teatro Cinque, zijn studio in Rome. `Zo vul ik langzaam deze hoge, kale ruimte. Dit lege vel.'

Ook Snaporaz zelf speelt meer dan één rol in zijn eigen script. Hij is niet alleen de genius, zo wordt gesuggereerd, en de wat duistere theoreticus achter alle afzonderljke scènes uit het leven van Gala, maar gaat zelf op zeker moment ook meedoen. `Ik ben mijn eigen verhaal binnengelopen', heet het, als hij voor het eerst Gala en Maxim ontmoet, en hij voegt er wat raadselachtig aan toe: `De droom is daarmee in de dag vervlogen.' Maar even later loopt hij zijn verhaal ook alweer half uit. Dit had ik allemaal kunnen zien, merkt hij op over het stel dat in verwarde toestand over straat loopt nadat het zijn studio heeft verlaten, `als ik tenminste de moeite had genomen om achter mijn bureau vandaan te komen en naar het raam te lopen. Maar er zijn een paar minuten verstreken en ik ben die twee Hollanders al vergeten.'

Dat klinkt leuk arrogant uit de mond van de grote man, maar erg overtuigend is deze passage toch niet, waarin de verteller Snaporaz de meespelende regisseur Snaporaz nogal ongelukkig voor de voeten loopt. Zo wringt er wel meer in de rijkelijk kunstmatige constructie die Japin optrok rond het simpele gegeven van de oude beroemde man en het gewillige groene blaadje.

Uitvaart

Wij moeten niet alleen geloven dat Snaporaz de regie voert over deze roman, maar ook dat hij dat doet van gene zijde. Hij is namelijk al dood voordat hij het verhaal heeft kunnen beginnen. Een hersenbloeding heeft hem geveld en nu ligt hij in zijn studio op zijn uitvaart te wachten. Net als bijvoorbeeld Faulkner, Brakman en Pleysier voert Japin hier het kunststuk op van de levende dode, die nog geen afscheid heeft kunnen nemen van het aardse en er lustig op los filosofeert: over Rome, de stad die hij `weer op de kaart' meent te hebben gezet, over God en de mensen, over waarheid en leugen, alles en niets, feit en fictie, schijn en werkelijkheid. De rode draad door zijn weinig heldere, maar onveranderlijk hevige en opvallend humorloze gedenk vormt de Goetheaanse overtuiging dat zich in de beperking de meester toont. `Het is de begrenzing die ons wakker houdt', aldus Snaporaz. `Het is de beperking die ons voortstuwt. (-) Teruggetrokken in de onbeweeglijkheid van mijn lichaam, vlamt mijn geest op.'

Als Japin al mocht instemmen met deze theorie van de beperking waaruit allerlei moois zou voortkomen, dan is dat aan zijn roman niet af te lezen. De droom van de leeuw gaat ernstig gebukt onder een teveel. Teveel woorden, teveel zinnen, teveel beelden, teveel figuren en teveel scènes. Het is niet goed mogelijk greep te krijgen op het warrige geheel dat die woorden, zinnen, beelden, figuren en scènes vormen. Steeds is er het ongemakkelijke gevoel dat ze er niet zelf toe doen, maar verwijzen naar iets anders, dat net buiten ons blikveld valt. De camera snort permanent, zo lijkt het, en iedereen is er alleen maar op uit om een goede acteerprestatie neer te zetten, met mooie woorden, bijzondere acties en theatrale gebaren. Er gebeurt veel in deze roman, maar het leven is er grotendeels uit verdwenen.

Te bewijzen valt er ook deze keer niets, maar ik heb het vermoeden dat Japin met De droom van de leeuw niet alleen zijn personages, maar ook zichzelf in een lastig parket heeft gebracht. Ik denk dat hij iets onmogelijks heeft gewild: een zelfverzonnen historische roman. Hij heeft eer willen bewijzen aan Fellini en waarschijnlijk ook aan diens laatste geliefde, Rosita Steenbeek. Maar hij heeft tegelijk ook willen laten zien dat hij een roman kan schrijven die hij helemaal uit de eigen duim heeft gezogen, zoals aan elke gewrochte bladzij valt af te lezen.

Arthur Japin: De droom van de leeuw. De Arbeiderspers. 390 blz. E22,75 (paperback), E27,50 (geb.).