De kunst van het verdwijnen

Op zaterdag 2 februari 2002 zaten omstreeks het middaguur ongeveer 2,2 miljoen Nederlanders te snotteren. Onder hen meer vijftigplussers dan jongeren en meer vrouwen (1,65 miljoen) dan mannen (550.000). De aanleiding was niet de grote, jaarlijkse midwintergriep of verkoudheidsgolf, maar een tv-programma: het was het moment waarop prinses Máxima in de Nieuwe Kerk in Amsterdam haar tranen de vrije loop liet. Het zijn altijd mooie cijfers, vind ik: cijfers over het gedrag van de kudde waarvan je deel uitmaakt. Zoveel miljoen mensen (van wie 85,3 procent mannen) die in de eerste twee minuten van de rust van een belangrijke voetbalwedstrijd het toilet bezoeken, zoals men schijnt te kunnen aflezen aan het wegvallen van de landelijke waterleidingdruk. Pieken en dalen in het stroomverbruik, in de collectieve gasafname, in de bezetting van telefoonlijnen en de wachtrijen voor websites: ergens houdt een Grote Broer ons hele doen en laten in een Groot Huishoudboek bij. De huilcijfers waren afkomstig van de dienst Kijk- en Luisteronderzoek van de NOS. Kunnen de apparaatjes van de dienst tegenwoordig ook al registreren of de proefkonijnen bij het kijken moeten sniffen? Nee, daarvoor had de dienst een aparte telefonische rondgang nodig, enkele dagen later, om er precies achter te komen hoeveel miljoen kijkers volschoten, en hoeveel miljoen (4,4) er droog bleven.

De dienst heeft niet kunnen onderzoeken waaróm zoveel mensen moesten snikken. De meest gehoorde en meest voordehandliggende verklaring was: zien huilen doet huilen. En waarom moest Máxima dan huilen? Daarover deden verschillende verklaringen de ronde, in verschillende graden van ingewikkeldheid. Omdat ze (prinses, bruid, sprookje, gouden koets, kroontje) gelukkig was. Omdat ze (afscheid van de jeugd, afscheid van een normaal leven) verdrietig was. Omdat de muziek (tango, Astor Piazzolla, bandoneon) zo mooi was. Omdat de tango haar aan haar geboorteland (Argentinië) deed denken. Omdat `Adios Nonino' (`Vaarwel Vadertje') haar deed denken aan haar vader: die had volgens de officiële lezing dan weliswaar zelf besloten niet aanwezig te zijn bij het huwelijk van zijn dochter, maar zij miste hem toch, zeker nu hij, via de muziek, als het ware aanwezig was. Of was het allemaal nog subtieler: Máxima besefte nu, via de titel van de tango, wat iedere bruid schijnt te moeten beseffen: dat het jawoord voor de bruidegom meteen ook het afscheidswoord voor de vader inhield? Of moest je er met een veel republikeinser oog naar kijken en zat het allemaal veel gewiekster in elkaar: Máxima huilde omdat ze wist dat de mensen dat graag wilden, of omdat ze heel goed inzag dat dat voor haar en voor de monarchie goede reclame zou zijn?

Ingewikkeld allemaal, deze publieke tranen, en dit collectieve sniffen. En er zat ook nog eens een vicieuze kant aan: een volk (althans: ruim twee miljoen onderdanen) huilt om tranen die door hetzelfde volk (althans: de wettelijke vertegenwoordiging ervan) zijn veroorzaakt. Papa mocht van ons niet komen, zijn dochter huilt – en vervolgens huilen wij met de dochter mee. Het is nog erger: achteraf werd duidelijk hoe de registratie van de tranen van Máxima tot op de seconde door de regie was voorzien en voorbereid, inclusief in- en uitzoomen. Dit was geen sprookjeshuwelijk op een zonnige zaterdagmorgen met kitsch-omlijsting – dit was een tot in de puntjes ergens achter de knoppen gestuurde operatie. Wie had nu wat gezien, en door wiens of wier ogen? Wat was de werkelijkheid geweest? Het werd al bijna vanzelf een geval van namaak, of van kunst – postmodern, met veel lagen, en multiperspectivisch geëncadreerd.

Nog zo'n moment, al even ingewikkeld, en met evenveel diplomatie en subtiliteit omgeven, en daardoor vanzelf ook al bijna kunstzinnig: eerder op die zaterdag mocht de Amsterdamse burgemeester Job Cohen het paar in de Beurs van Berlage in de echt verbinden en toespreken. Prachtige zaal, de zon viel naar binnen, maar het was nog vroeg en de sfeer nog stijfjes en onwennig. En wat zou de burgemeester precies gaan zeggen als het aankwam op bepaalde zwarigheden betreffende het verleden van de vader van de bruid? Hij was er de man niet naar om eraan voorbij te gaan, maar hoe het erover te hebben in een toespraak die als een feestrede moest klinken? Zijn oplossing was een wonder van elegantie, een voorbeeld van diplomatieke poëzie, en even effectief als de tango in de kerk. Cohen vertelde hoe Máxima enkele maanden eerder bij een bezoek aan de Hollandsche Schouwburg onder de indruk was geweest en in het gastenboek een oproep had gedaan om in de toekomst te proberen te vergeven, `maar vergeten mogen wij nooit'. Hij prees haar daarvoor: `Met die woorden hebt u ons evenveel geschonken als met de gulle lach waarmee u onze harten óók hebt gestolen.' Iedereen hield op dat moment de adem in. Het was niet goed mogelijk om tegelijk niet ook aan de vader van Máxima, het omstreden regime, de duizenden verdwijningen te denken. Ze hingen op dat moment zwaar in de lucht, net als Máxima's veroordeling ervan. Hoe zou Cohen nu verder gaan? Hij zei er niets meer over – en liet de suggestie verder haar werk doen. Poëzie van het verzwijgen. Wie goed keek zag de vlaggen hoog in de zaal even licht bewegen op de vele zuchten van opluchting.

De schok van het verzwijgen deed denken aan een vergelijkbare schok, een jaar eerder, bij het lezen van een gedicht van Gerrit Komrij. Hij had het in zijn rol van Dichter des Vaderlands nodig gevonden een vers te wijden aan de verloving van Willem Alexander en Máxima. Het leek oprechte lakeienpoëzie, met een mooie rol voor de trotse moeder Beatrix, die zich verheugt over het voorgenomen huwelijk: `Straks trouwt mijn zoon./ Mijn hart danst. Er is geen mooier dag/ voor een moeder.' En zo babbelde zij nog even verder, verguld, in rijmloze regels. `Hij heeft een koninklijke lach. Wild/ speelt de wind door zijn haar.' En zij ziet al voor zich hoe op de trouwdag de straten zwart zullen zien van het volk en hoe hij dan `zal verdwijnen tussen de mensen'.

Het woord `verdwijnen' werkt als een stroomstoot – en dan blijkt dat hier niet de moeder van een prins spreekt, maar Elisa Del Carmen, `uit het huis met de donkere schroeiplek', moeder van Héctor Alejandro. `Twintig jaar is hij nu verdwenen,/ net als Pablo en Ramón, zijn vrienden.' Dat is achteraf, na Zorreguieta's verklaringen over drie vrienden die indertijd wèl gewoon terugkeerden, nog eens extra wrang. Hier is een dwaze moeder aan het woord, dromend over de trouwdag, die nooit zal komen, van haar zoon, die nooit meer terug zal keren. `Ze noemen me gekke Elisa.' En dit zijn haar slotwoorden, zonder rijm: `Ik kan niet wennen aan zijn dood.' Ook zij was niet uitgenodigd, op die tweede februari, maar ook zij was erbij.