De krant als licht in de duisternis

Twaalf dagbladen deden in Nederlands-Indië hun best een kleine groep abonnees te amuseren. Allengs zouden verhalen over tijgers en scheurbuik plaatsmaken voor politieke opinies. En daar hield het koloniale gezag niet zo van.

Controversiële stukken in gepeperde taal, dat was wat de Indischman honderd jaar geleden wilde lezen in zijn krant. Behalve nieuws en een geëngageerde opinie zocht hij esprit, afleiding en amusement. Een gemene roddel was altijd welkom. `Het Indisch publiek juicht om een klein schandaal, klapt in de handen bij een onschuldige hatelijkheid [...] houdt ervan om nu en dan scherpe vinnige stukjes in zijn krant te ontmoeten, even als men aan tafel van tijd tot tijd de hand met verlangen uitsteekt naar een lepeltje trassi,' zo schrijft de Samarangsche Courant in 1873. En daarmee onderscheidde de Indische pers zich van de `moederlandse' journalistiek die serieuzer en bedaarder was van toon.

Het saaie leven van de planters in de tropen schreeuwde om scherpe prikkels. Publiek vermaak was er nauwelijks in de kolonie. De mannen werkten, de vrouwen verveelden zich. Viel de krant niet om vijf uur 's avonds op de mat, dan zwaaide er wat voor de krantenjongen. En bevatte de krant een feuilleton over het Indische leven, bijvoorbeeld van Maurits (P.A. Daum), dan was de lezer helemaal tevreden, zo valt te lezen in Journalisten en heethoofden, de boeiende vuistdikke studie die de Leidse onderzoeker Gerard Termorshuizen publiceerde over de Indische dagbladpers 1744-1905.

Omstreeks 1870 verschenen er in Nederlands-Indië twaalf dagbladen voor een relatief kleine maar groeiende groep van 15.000 abonnees. Van de ongeveer 34.000 Europeanen had de grootste groep, die van de Indo-Europeanen, met hun vaak geringe opleiding en lage sociale positie, meestal geen geld voor een abonnement. Belangrijke kranten waren De Java-bode, het Bataviaasch Handelsblad, de Soerabaya Courant en de Semarangse De Locomotief. Concurrentie ondervonden die kranten van de mailedities van Het Handelsblad en de NRC, die de lezers informeerden over het leven in Nederland en daarbij niet gehinderd werden door de strenge perswetten van de kolonie.

Termorshuizens boek bestaat uit twee delen: een uitvoerig overzicht van de commerciële drukpers van 1835 tot 1905 dat de achtergronden en ontwikkelingen van de Indische pers in haar historische context beschrijft en een beschrijving van de afzonderlijke kranten. Het `voorspel' beschrijft de eerste kranten uit de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, zoals De Bataviase Nouvelles uit 1744 en de gouvernementskranten uit de tijd van Daendels en later. Bij gebrek aan voldoende kopij riepen verscheidene kranten hun lezers in die vroege periode op om interessante en amusante bijdragen in te sturen. Het resulteerde in uiteenlopende verhalen over bergtochten, vulkaanuitbarstingen of geneesmiddelen tegen scheurbuik of over vraatzuchtige tijgers. Een van de scribenten stelt in dat verband voor de `Maatschappij tot uitroeijing der tijgers op Java' op te richten. Deze zou het gebruik van tijgerhuiden moeten stimuleren. De huiden zouden neergelegd kunnen worden in raadzaal en kerk, men zou er mensen in kunnen begraven en, zo suggereert de schrijver, `een meisje zoude van haren minnaar kunnen begeren, dat eene gestreepte tijgerhuid de brug moest zijn waar over hij alleen tot het echte bed zoude kunnen naderen [...].'

Wingewest

De Indische kranten begonnen rond 1840 in de regel als advertentieblad waarna ze langzaam uitgroeiden tot een waarlijk dagblad met nieuws uit binnen- en buitenland. Een krant had in de regel maar één redacteur die het hele blad volschreef, soms bijgestaan door correspondenten. En omdat de abonnementsgelden relatief hoog waren (ongeveer één gulden per abonnee per maand) konden talentvolle scribenten worden aangetrokken als Busken Huet, Daum, Brooshooft, Uilkens en Van Geuns.

Ten gevolge van het drukpersreglement uit 1856, volgens de liberale staatsman Thorbecke een `gewrocht der duisternis', dat de vrije meningsuiting in Indië streng aan banden legde, was de Indische pers voortdurend in gevecht gewikkeld met de autoriteiten. Er was geen politiek bestel in de kolonie. Bij gevolg was de krant het enige middel om een publieke mening te ventileren, het enige platform voor politieke discussie.

Het koloniale gezag breidelde in de loop der jaren reeksen journalisten, en wierp hen in het cachot, zoals de strijdbare H.J. Lion, hoofdredacteur van het Bataviaasch Handelsblad (1858-1869), vanwege belediging van de gouverneur-generaal, of H.B. van Daalen, van de Java-Bode (1873-1881), volgens de Oost-Post de `Hektor der Indische pers', wie `de martelaarskroon op de slapen gedrukt.' Andere journalisten werden eenvoudig de kolonie uitgezet.

Veel kritiek van de pers oogstte aanvankelijk de beruchte Batig-Slot politiek gekoppeld aan het in 1830 ingevoerde Cultuurstelsel. De kolonie was een wingewest geworden, de Javaan werd uitgeknepen als een citroen, zo oordeelden veel Indische redacteuren. In verschillende kranten was de echo van Multatuli's Max Havelaar te horen. Zo schrijft Van Kesteren, redacteur van De Locomotief in 1864: `Beschaving dan en bescherming in den volsten zin des woords voor den Inlander! [...] laat Neêrlands banier niet als een rooversvlag wapperen in Insulinde, maar als de banier van rechtvaardigheid en menschenmin! [...] opdat ook hier eenmaal [...] de tijd kome, waarin het niet langer een leugen zal zijn te beweeren, dat den Javaan tevreden is.' Hoewel de roep om een beter leven voor de Javaan bij verschillende journalisten valt te lezen, moet dit niet al te letterlijk worden genomen. Algemeen was de opvatting dat de Javaan vèr beneden de Europeaan stond.

De komst van de beroemde Hollandse schrijver Conrad Busken Huet als hoofdredacteur van de Java-Bode in 1868 zorgde voor een schandaal door de zogenoemde Hasselmanaffaire. De gezamenlijke dagbladpers was tot op dat moment liberaal en had zich in meer of mindere mate tegen het Cultuurstelsel uitgesproken. De oerconservatieve Huet bleek echter een rabiate voorstander van dit stelsel. Toen bovendien bleek dat hij speciaal door de minister van Koloniën Hasselman was ingehuurd om een conservatief offensief tegen andere kranten te voeren, viel de gezamenlijke pers over hem heen.

Na de strijd tegen het Cultuurstelsel, dat in 1870 werd afgeschaft, gaven de kranten in Indië veel ruimte aan kwesties als de Atjeh-oorlog, de ethische politiek, Indische belastingen en de problematiek van de Indo-Europeaan. Het Padangsch Handelsblad met zijn strijdbare `Indo'-redacteur Arnold Snackey verdedigde bijvoorbeeld met verve de belangen van `den Sinjo'.

Profielen

Het bijna vijfhonderd pagina's tellende krantenoverzicht dat ook door zijn personen-, zaken- en titelregisters, het uitgebreide bibliografische overzicht en het notenapparaat uitstekend als naslagwerk gebruikt kan worden, bevat veel zakelijke informatie, zoals de verschijningsfrequentie van de verschillende periodieken en de opeenvolging van rubrieken. Toch levert het boek zeer leesbare lectuur op door de kleurrijke biografische profielen van de Indische redacteuren. Jammer is wel dat het leven van redacteuren die bij meer dan één krant hebben gewerkt als het ware bijeen gesprokkeld moet worden, omdat niet die levensbeschrijvingen het uitgangspunt waren van het boek maar de diverse krantentitels.

Termorshuizen schreef eerder een voortreffelijke biografie over de journalist-romancier P.A. Daum, hoofdredacteur van onder meer De Locomotief en het Bataviaasch Nieuwsblad, maar vooral schrijver van een tiental nog steeds zeer leesbare Indische romans. Nu heeft hij opnieuw een meeslepend standaardwerk geproduceerd, waarin voor het eerst de Indische pers in de negentiende eeuw in kaart wordt gebracht. Het wachten is nu op het tweede deel van deze onderneming waarin Termorshuizen de ontwikkeling van de Indische pers vanaf 1905 tot de dekolonisatie zal beschrijven.

Gerard Termorshuizen: Journalisten en heethoofden, Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905. Nijgh & van Ditmar, 862 blz. E68.95.