De gordijnen dicht

Familie, dat is een plek die wordt geregeerd door de mythen die structuur geven aan wat ons bezielt.

In het gezin waarin ik ben opgegroeid speelde het begrip `familie' nauwelijks een rol. We hadden er niet veel van – twee oma's en twee tantes, met in hun kielzog een handvol neven en nichten, dan had je het wel gehad – en we deden er ook zelden of nooit iets aan. De moeder van mijn moeder was lange tijd nog het meest prominent aanwezig – die woonde afwisselend om de hoek en in huis – maar over wie haar vader geweest was heeft mijn moeder tot op hoge leeftijd geheimzinnig gedaan. Uiteindelijk bleek het te gaan om een van huis uit Chileense acteur die begin jaren twintig carrière maakte bij de Hollandia Studio's in Haarlem en tussen de bedrijven door de ene na de andere figurante daar bezwangerde. Waaronder dus mijn oma, door ons altijd Kleine Oma genoemd. De moeder van mijn vader, die tot kort voor haar dood in het Gooi was blijven wonen, vlakbij een van haar twee dochters, was Grote Oma en bovendien blind.

Van opa's, klein of groot, was nauwelijks sprake. De een was een gerucht, en bovendien al uit het zicht verdwenen op het moment dat de Nederlandse film sprekend werd, en de ander stierf toen mijn vader nauwelijks vijf was. Voor de jaren zestig om waren, waren ook beide oma's overleden. Bleven over twee tantes, waar we vóór die tijd heel af en toe wel eens kort op bezoek gingen en daarna eigenlijk ook niet meer. Het enige familielid waar ik vroeger, buiten mijn twee zusters, echt mee omging was mijn twee jaar oudere neef Hans, de zoon van mijn vaders `stoute' zuster, maar dat was, tot zijn vroege dood, meer een vriend.

Voor mijn ouders waren hun eigen kinderen familie genoeg en soms zelfs te veel. Wat `familie' in de ruime zin van het woord kon betekenen, daar kwam ik pas achter toen ik thuiskwam bij vriendinnetjes. Mijn vrienden had ik altijd weten te recruteren uit gezinnen die op een of andere manier afwijkend waren: asociaal groot ofwel pijnlijk klein. In het eerste geval was ik gefascineerd door de vrolijke anarchie van onopgemaakte stapelbedden, speelgoed-slagvelden, tegen elkaar in spelende radio's en de rijdans van semi-delinquente broers en sexy zusters met hun aanhang. In het tweede geval werd ik aangezogen door het zwarte gat ergens midden in de huiskamer waardoor de vader was verdwenen, en de moeder die op zondagmiddag in peignoir en met doorgelopen mascara opeens vanuit het duister van de hal voor ons opdook om te vragen of we niet meer van die zware shag wilden roken omdat de lucht daarvan haar herinnerde aan de oorlog. Nu ik erover nadenk had de afwezigheid van die vaders daar meestal ook iets met die oorlog te maken.

Maar bij de meisjes thuis was alles anders. Daar maakte ik kennis met het ritueel van het met z'n allen `aan tafel zitten' – iets dat ik, wegens de artistieke werktijden van mijn vader en aanvankelijk ook mijn moeder, eigenlijk alleen van vakanties kende en dat was geen kunst.

Mayonaise

De spanningen die dat gedoe aan tafel met zich meebracht! De logistiek! Voor iedereen eindelijk zat! En op de goede plek! En hoe vaak er dan vervolgens weer even werd opgestaan: vergeten handen te wassen, Donald Duck wegleggen, melk pakken, mayonaise, vork oprapen, gordijnen dichtdoen. Het ongemakkelijke van al die aan elkaar verwante maar tegelijk o zo vreemde lijven zo vlak naast en tegenover elkaar. De vreemde, zowel gewijde als onheilspellende stilte van het bidden vooraf en het gejaagde aanvallen op de schalen direct daarna. Het broertje dat te veel te snel eet, het zusje dat te langzaam te weinig eet en de discussies daarover en over geld, school, politiek en wat hoort en wat niet. Het polyritmische patroon van kauwen, slikken, smakken, kuchen, zuchten en boeren. Een patroon waarin, wanneer je goed luisterde, een benauwend intieme boodschap zat verstopt, de code alleen deze familie eigen, hun platonische vorm van incest. Ik had vaak het gevoel dat er in het halfdonker, net buiten de lichtcirkel van de lamp boven de eettafel, achter elke stoel nog een hele rij van gestorven familieleden stond, die bij de minste of geringste provocatie in een soort allesvernietigende goddelijke toorn zouden kunnen ontsteken.

Op verjaardagen en bij andere feestelijke gelegenheden werd het tafelzitten dan ook nog eens voorafgegaan en gevolgd door het vaak nog uitgebreidere `kringzitten' in de woonkamer, salon of `voorkamer'. De onzichtbare familiegoden staan nu vóór de fauteuils, bankstellen en aangesleepte eetkamerstoelen – om iedereen die er ook maar over denkt om overeind te komen nog eens extra diep in de zitting te drukken. Alleen wie zich bezighoudt met het verzorgen van de thee, de koffie, de koekjes, de drankjes, de hapjes – processen die elk uren in beslag nemen – is geëxcuseerd; de rest zakt weg in een collectieve verlamming die nog het meest weg heeft van een dodenwake.

Iemand oppert de mogelijkheid van een `wandeling' – iedereen wil, maar niemand gaat de deur uit. Opa gromt wat, een broer geeft af op de regering, een zus krabt aan haar eczeem, een oom begint aan een mop, een tante vertelt alvast de clou. Als je geluk had was er een huisdier om je op te richten of een klein kind of, beter nog: de televisie om in te kunnen verdwijnen, de wijde wereld in. Maar die werd meestal direct weer door haar moeder uitgezet, want dat was zo ongezellig.

Ruzie

En over `haar' gesproken. In het bijzijn van haar familie werden die meisjes mij bijna allemaal ofwel te afstandelijk ofwel te klef en hangerig. Zoals ze een uur eerder, onderweg naar hun ouderlijk huis, ook altijd afwisselend ruzie zochten en zich bij voorbaat al verontschuldigden voor wat ons, maar vooral mij, te wachten stond. Het moment – dat van de spanning vonkende moment – dat wij aanbelden was voorlopig haar laatste als individu. Vanaf het moment dat de deur openzwaaide – `halloooo!' – maakte zij deel uit van de verstikkende massa van vaste patronen die tezamen `de familie' vormen. Patronen waar iedereen zich voortdurend tegen verzet, maar die iedereen gedoemd is te herhalen. Na een korte schermutseling valt iedereen weer terug in zijn oude rol, met de bijbehorende tekst vol overdrijvingen. `Niemand kent mij zo goed als jullie!' `Jullie accepteren mij niet zoals ik ben!' `Jullie ook altijd!' Aan die patronen proberen te ontsnappen is zoiets als pogen Oidipous ervan overtuigen dat hij zijn vader niet moet vermoorden.

Maar hé: thuis – in de zin van `familie' – is ook helemaal geen `rationele' plek, maar een plek die wordt geregeerd door mythen, de collectieve verhalen die structuur geven aan wat ons bezielt. Misschien dat ik daarom al die voorvaderlijke wachters voor en achter die stoelen zag staan. Thuis kom je redelijkerwijs niet verder, nee: je komt er terug. Dat is misschien ook wel het mooie ervan. Het biedt de mogelijkheid om even de last van je zwaar bevochten onafhankelijkheid af te leggen en een paar flinke stappen terug te gaan in je eigen ontwikkeling. Keten met je broertje, tot twee uur 's middags in je bed liggen, je opsluiten in de badkamer, in de keuken uithuilen bij je moeder, zeuren over kleine kwaaltjes. Regressie als tijdelijke remedie tegen de voorwaartse druk van het bestaan. Dat van die onafhankelijke en o zo individuele identiteit is tenslotte ook maar een mythe. Een deel van onszelf zal daar altijd maar wat onhandig achteraan blijven hinken.

Het café, het bed, de bestuurskamer, het sportveld en de schijnwerpers kunnen nooit aan het hele scala van onze behoeften voldoen. Op de bodem van onze ziel zal altijd iets achterblijven wat zich nooit heeft ontwikkeld en hardnekkig weigert dat alsnog te doen. De hopeloze schaduw die we als deel van onze vaste bagage altijd bij ons dragen – en die we alleen uit durven pakken wanneer we thuiskomen.

Als we tenminste nog thuis kunnen komen.