De decreten van Beneš

Na de Tweede Wereldoorlog zette Tsjechoslowakije, op basis van de decreten van president Beneš, miljoenen Duitsers de grens over.

De Beneš decreten danken hun naam aan president Edvard Beneš die tijdens de Duitse bezetting (1938-1945) vanuit Londen in ballingschap per decreet regeerde. Bij terugkeer in Tsjechoslowakije kregen deze decreten kracht van wet. Een belangrijk deel betreft de positie van Duitse en Hongaarse minderheden in Tsjechoslowakije.

Met decreet 33/1945 bepaalde Beneš in augustus 1945 dat Duitsers en Hongaren hun staatsburgerschap moesten opgeven tenzij ze: zich tijdens de oorlog als Tsjech of Slowaak hadden laten registeren; loyaal waren gebleven aan de republiek; het slachtoffer waren geweest van fascisme; actief deel hadden genomen aan het verzet.

Hierna volgde de gewelddadige verdrijving van ruim tweeëneenhalf miljoen Duitsers in drie golven. Volgens Praag gebeurde dat met steun van de geallieerden. Onder decreet 108/1945 werd al het roerend en onroerend goed dat aan de verdreven Duitsers had toebehoord verbeurd verklaard, zonder schadevergoeding.

Voor de Hongaren was vooral decreet 71/1945 met betrekking tot tewerkstelling van statenloze burgers, van belang. Onder deze bepaling werden veertigduizend Hongaren uit het Slowaakse deel naar het Tsjechische deel van het land overgebracht. Ook moesten alle (ruim dertigduizend) Hongaren die sinds 1938 waren binnengekomen weer terug naar Hongarije.

De Beneš-decreten zijn volgens de regering Zeman in Praag `vervlogen'. Zijn politieke tegenspeler Václav Klaus wil in een toekomstig verdrag met de EU laten vastleggen dat de decreten niet herroepen kunnen worden. Premier Orbán van Hongarije stelt dat de decreten niet sporen met de Europese wetgeving en eist dat ze worden ingetrokken. Volgens de Europese Commissie is dat niet aan de orde maar een commissie van het Europees parlement laat de zaak op dit moment juridisch onderzoeken.