Vliegende Hollanders

Wat hem in het Nederlands elftal maar niet lukt gaat hem als spits van Manchester United goed af. En dat levert Ruud van Nistelrooij natuurlijk bijnamen op, want Britse koppenmakers zijn dol op een woordspelinkje – Vantastic! riep the Mirror na weer een goal – of een beginrijmpje. Dus werd Ruud al gauw Van the Man, en daarmee wellicht de eerste ter wereld wiens bijnaam is opgehangen aan het tussenvoegsel van zijn naam (in tegenstelling tot de man met wie hij die naam deelt, de zanger Van Morrison, the Belfast Bard, de Noord-Ierse lyricus). Ook the Man is niet wat het lijkt: het is de verkorting van Mancunian, inwoner van Manchester – the Mancunians is de koosnaam voor de rijkste club ter wereld – en uit zijn bijnaam spreekt dat de fans hem al in zijn eerste maanden in hun hart gesloten hebben.

Aan zijn Brabantse tijd had Ruud er trouwens nog een paar overgehouden, zoals het gemoedelijke de Nistel. Zijn vaste rugnummer bij PSV was 8; met een knipoog naar James Bond en diens License to kill werd hij 008, met een License to score. En uit de seizoenen dat hij een doeltreffend duo vormde met de Belg Luc Nilis (Lucky Luc) stamt het lieflijke Nini.

Ondanks zo'n ruime keuze kon de Engelstalige sportpers de verleiding niet weerstaan bij een Nederlands sportsucces de Vliegende Hollander van stal te halen. Wint Richard Krajicek de finale van Wimbledon, dan is hij the flying dutchman (en Richard Lionheart, ook niet de vondst van het jaar). Zet Pieter van den Hoogeband het herenzwemmen in Sydney naar zijn hand: the Flying Dutchman (en, vooruit, the Dutch Dolphin en Pieter the Great, naar de tsaar van die naam). De Vliegende Hollander vertelt de legende van kapitein Van der Decken, wiens schip bij Kaap de Goede Hoop verging en daar sindsdien rondspookt. Wie het tegenkomt is ook zelf gedoemd.

Een pakkend beeld en blijkbaar zeer bruikbaar als bijnaam. `Een tweede huid', het boek van Ed van Eeden en Peter Nijssen dat honderden sportbijnamen verklaart, somt er zo al acht op, onder wie de wielrenners Pim Kiderlen (die in 1887 wereldkampioen op de driewieler werd), Cor Blekemolen (wereldkampioen stayeren in 1914) en Zwarte Piet van Kempen (winnaar van de Zesdaagse van New York in 1921). Maar ook tennisser Tom Okker en Gerrit-Jan Konijnenberg, Neerlands eerste internationale schansspringer (Garmisch Partenkirchen, 1987), al zal der Fliegende Holländer niet als compliment bedoeld zijn.

Gelukkig zijn er ook leuke versies te vinden. Fanny Blankers-Koen, onze Sprintende Huisvrouw, was, toen zij in 1948 viermaal olympisch goud won, niet alleen the Queen of the Games maar ook the Flying Dutchmam. Faas Wilkes was de eerste Nederlandse voetballer die in het buitenland speelde. Zijn scala aan onnavolgbare schijnbewegingen bij Inter Milan en Torino bezorgden hem met recht de titel Il Olandese Volante.

Ook voor de Italiaanse bijnaam van Ruud Gullit werd teruggegrepen op een historisch gegeven. In de 17de eeuw werden waanzinnig hoge prijzen betaald voor de in Holland gekweekte zwarte tulp. Toen Gullits populariteit bij AC Milan op een hoogtepunt kwam, was met Il Tulipano Nero zijn bijnaam snel gevonden.

Dennis Bergkamp (Dennis the Menace, omdat hij het zijn tegenstanders net zo lastig maakt als het gelijknamige Amerikaanse stripfiguurtje zijn buren) heeft door vliegangst de nodige wedstrijden voor Arsenal en het Nederlands elftal moeten missen. Vandaar the Non-flying Dutchman, een geslaagde combinatie van non-playing captain (een aanvoerder die niet zelf in de wedstrijd meespeelt) en Flying Dutchman.