Monty Pythons peetvader

Geen enkele Engelse komiek was ooit zo excentriek en zo onaangepast als Spike Milligan, die gisteren op 83-jarige leeftijd overleed. Veel komieken zijn behaagziek, maar hij was het tegendeel: zijn grappen maakte hij vaak met een verwilderd soort idiotie in zijn ogen, en een duivelse grijns die zijn gekte voortdurend onvoorspelbaar maakte. Geen wonder dat hij het grote voorbeeld werd voor de generatie die na hem kwam. Zonder hem zou er geen Monty Python hebben bestaan.

Terence Milligan werd in 1918 geboren als zoon van een sergeant-majoor in het Britse leger in India. Op zijn dertiende keerde het gezin terug naar Engeland, waar de jonge Spike zich, naast allerlei kantoorbaantjes, bekwaamde op de bas en de trompet. Hij wilde de muziek in, maar raakte ook verslingerd aan Groucho Marx wiens verbale slapstick hij gretig begon na te doen. Begin 1940 werd hij echter onder de wapenen geroepen, zoals hij later kleurrijk beschreef in zijn succesvolle autobiografie Adolf Hitler, my part in his downfall. In het leger vormde hij een orkestje en ontmoette de zingende grappenmaker Harry Secombe met wie hij vanaf dat moment optrok.

Direct na de oorlog begon Milligan een weinig succesvolle carrière als muzikant en komiek, tot hij als scriptschrijver een voet tussen de deur kreeg bij de BBC. Daar begon hij in 1951, samen met Harry Secombe en de eveneens jeugdige Peter Sellers, aan de legendarische radioserie The Goon Show – een anarchistisch soort humor met zotte stemmetjes en uitzinnige geluidseffecten, waarin geregeld de spot werd gedreven met de hoge militairen die tijdens de oorlog hun superieuren waren geweest. Milligan schreef negen jaar lang bijna alle afleveringen, 26 weken per jaar. Zelfs wanneer Milligan, die manisch depressief was, tijdelijk in een kliniek was opgenomen, schreef hij door. Met rooie oortjes zaten de latere Python-mannen in hun jongenskamertjes naar het programma te luisteren; dit was onvergelijkbaar gekker dan het reguliere radio-amusement uit die dagen.

Milligan bewees, ook in de Q-shows die hij in de jaren zestig voor de BBC-tv maakte, dat het niet meer nodig was sketches met een kop en staart te maken; zodra de grap was gemaakt, kon de scène hopeloos ontsporen. Vaak kwamen er nazi's in voor, en in een rechtbanksketch hing hij zonder verder commentaar een portret van Adolf Hitler aan de muur, waar normaal gesproken de koningin moest hangen. Maar allengs beschouwde de BBC hem als een ongeleid projectiel; hij was alleen nog welkom als de dwaze verhalenverteller in talkshows. De pionier was gepasseerd door zijn jongere navolgers, onder wie de makers van Monty Python, die hem overigens altijd alle eer hebben bewezen.