Minister voor Onderzoek

In een aan de situatie in het wetenschappelijk onderzoek in Nederland gewijd artikel, getiteld `Hoog tijd voor een minister van Onderzoek', (NRC Handelsblad, 14 februari), houdt prof. H. Philipse een uitvoerig en goed gedocumenteerd pleidooi voor een grotere overheidsfinanciering. Hij geeft argumenten voor de stelling dat het financieren van wetenschappelijk onderzoek een taak van de overheid is, bespreekt het grote economische nut van de resultaten ervan, en vergelijkt de Nederlandse situatie met die in andere landen.

Het is moeilijk niet met dit betoog in te stemmen. Niettemin bekruipt mij bij het lezen ervan een gevoel van grote onwerkelijkheid. Het is alsof er plannen ter verbetering van een huis worden besproken een betere verwarming, eindelijk een behoorlijke keuken zonder dat men in de gaten heeft dat datzelfde huis door ernstige problemen met de fundering langzaam in de bodem aan het zakken is.

Als ik naar de mij bekende situatie in de exacte vakken kijk waar het betoog van Philipse toch vooral betrekking op heeft zie ik dat het aantal studenten in de wiskunde, natuurkunde en scheikunde in de loop van tien jaar is gehalveerd. Er is geen reden om aan te nemen dat dit proces in de nabije toekomst tot stilstand zal komen. Het universitair onderzoek berust meer en meer op het werk van buitenlandse promovendi (aio's en oio's) en postdocs; goed omdat het bijdraagt aan het internationale karakter van de Nederlandse wetenschapsbeoefening, maar slecht omdat het veroorzaakt wordt door een groot tekort aan geschikte Nederlandse kandidaten. Alles bij elkaar een dramatische situatie, niet veroorzaakt door een tekort aan geld, maar door een fundamenteel gebrek aan belangstelling bij de aankomende studentengeneraties van de laatste jaren.

Het gaat bij dit alles duidelijk om een algemeen cultureel-maatschappelijk verschijnsel, dat in verschillende mate ook in de ons omringende landen optreedt. De oorzaken worden niet echt goed begrepen en er bestaan geen eenvoudige remedies. Het probleem lijkt trouwens niet beperkt te zijn tot de exacte vakken. Zo lees ik bijvoorbeeld in een artikel van Dirk van Delft over de situatie van de `kleine letteren' in Nederland (NRC Handelsblad, 16 februari) dat het aantal eerstejaars Slavische talen van 81 in 1995 is afgenomen tot 36 in dit jaar; voor Duits, de taal van ons buurland, onze grootste handelspartner, in dezelfde periode van 142 naar 57.