Mannelijke vissen vervrouwelijken door mest en `de pil'

In Nederlandse riviertjes en sloten zijn mannelijke vissen aan het vervrouwelijken.

Dat blijkt uit een landelijk onderzoek naar hormoonverstorende stoffen in oppervlaktewater, dat werd uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) en het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA). De studie werd vandaag in Den Haag aangeboden aan minister Pronk (Milieu) en Netelenbos (Verkeer en waterstaat).

Het onderzoek toont onder andere aan dat mannelijke brasems in de Dommel, een riviertje in de buurt van Eindhoven, niet alleen spermacellen in hun testis hebben maar ook eicellen. Of de vissen zich daardoor minder goed voortplanten is volgens onderzoeksleider dr. D. Vethaak nog niet duidelijk. ,,We weten niet of het zaad ook slechter wordt door de vervrouwelijking.''

Behalve in de Dommel doet de vervrouwelijking zich onder meer voor in de Westerschelde en in kleine riviertjes en sloten in Utrecht en Friesland. In grotere rivieren, riviermondingen en in open zee werd het effect amper gezien.

Oorzaak van de vervrouwelijking is de toenemende aanwezigheid van stoffen in oppervlaktewater die de werking van het vrouwelijke hormoon oestrogeen nabootsen. Een belangrijke bron voor die stoffen is de veehouderij, zegt Vethaak. ,,In mest zitten natuurlijke hormonen.'' De mest spoelt uit naar het oppervlaktewater, dat bij de rioolwaterzuivering blijkbaar onvoldoende wordt gezuiverd.

Ook werden resten van de menselijke `pil' in sommige riviertjes aangetroffen. Bovendien zijn er chemische stoffen die de werking van oestrogeen nabootsen. Daaronder vallen bijvoorbeeld alkyfenolen, die in industriële reinigingsmiddelen worden verwerkt, en broomhoudende brandvertragers.

De Gezondheidsraad, die in 1999 een studie publiceerde over hormoonverstorende stoffen in oppervlaktewater, stelde destijds een lijst op van 34 verdachte stoffen. Hieronder komen voor DDT-achtige stoffen, PCB's, organotinverbindingen, chloordaan, endosulfaan en chloordioxinen.

Volgens Vethaak is de situatie in Groot-Brittannië zorgelijker. De vervrouwelijking vindt daar ook in grote rivieren plaats. Maar Vethaak dringt wel aan op verder onderzoek. Veel stoffen zijn nog niet getest op hun eventuele hormoonverstorende werking. En nu zijn alleen brasem en bot onderzocht. Uit eerder onderzoek blijkt dat andere vissen, slakken en schelpdieren gevoelig zijn voor hormoonverstorende stoffen.