Landelijke FBI komt dichterbij

Aan het plan voor één landelijke recherche gaat een lange voorgeschiedenis van departementale stammenstrijd, principekwesties en wildgroei van speciale politiediensten vooraf. Het voorstel aangaande een nationale FBI moet hieraan een eind maken.

,,Een FBI is onze maat niet''. Met deze woorden formuleerde oud-politiechef Boele Staal (thans commissaris van de koningin in Utrecht) in 1994 een hoofdregel van het Nederlandse politiebestel. Dat was toen net op nieuwe leest geschoeid in de vorm van 25 regionale korpsen plus een apart korps voor landelijke diensten zoals het doorgaand verkeer. Dat was ook het Nederlands aanspreekpunt voor Interpol. Maar zelf rechercheren was er niet bij. Dat bleef de taak van de recherche-afdelingen van de afzonderlijke korpsen, die van oudsher een gezonde afkeer hebben van alles wat maar op landelijke bemoeienis lijkt.

Het is meer dan alleen een kwestie van jalousie de métier. De inrichting van de politiezorg is meer dan een eeuw lang inzet geweest van ,,een stammenstrijd binnen het establishment'', zoals dat door een Haagse insider ooit is getypeerd. Dat zit al in het politiewerk zelf gebakken. Moet daarin de nadruk liggen op de bestuurlijke handhaving van orde en rust of meer op de criminaliteitsbestrijding? Direct daarmee verbonden is de vraag of het zwaartepunt van de gezagsstructuur moet liggen bij de burgemeester (bestuur) of de officier van justitie (misdaadbestrijding). Achter deze autoriteiten staan twee departementen, Binnenlandse zaken en Justitie. Deze hebben in de loop der jaren een in Haagse kringen moeilijk te evenaren reputatie opgebouwd door die stammesntrijd.

De Politiewet van 1993 zou daaraan een eind maken. Burgemeester en hoofdofficier van justitie werden samen betrokken bij het beheer van de nieuwe korpsen, de ministers van Binnenlandse zaken en Justitie gingen samen de (budgettaire) eindverantwoordelijkheid dragen. Deze gezamelijke betrokkenheid was een teken van wantrouwen. Justitie is altijd als de dood geweest dat de recherchetaak het stiefkind van de politie wordt als het ,,burgemeestersblok'' het voor het zeggen krijgt.

Het beheer onder de politie is inmiddels eenduidig ondergebracht bij de minister van Binnenlandse zaken. Voor de gezagsproblemen werd de ,,driehoek'' uitgevonden: een gezamelijk beraad van burgemeester, officier van justitie en korpschef op lokaal en regionaal niveau. De zware en georganiseerde criminaliteit trekt zich echter weinig van bestuurlijke indelingen aan en zelfs niet van landsgrenzen.

Het gewicht van dit argument is overigens minder eenvoudig dan het lijkt. Er bestaat als het gaat om criminaliteitspatronen een neiging tot ,,mythevorming'', zoals een politiecommissaris het eerlijk heeft genoemd, die alles te maken heeft met de toedeling van politiemiddelen. Een belangrijk deel van de criminaliteit, in elk geval in termen van directe schade en overlast, is nog steeds lokaal. Vanuit de burger bezien is er al een spanning tussen lokale en regionale prioriteiten, laat staan landelijke.

De Politiewet van 1993 wees een landelijke recherche af omdat dit toch alleen maar tot oorlog met de regiokorpsen zou leiden. Maar de wet liet nadrukkelijk het initiatief voor landelijke samenwerkingsvormen aan de regiokorpsen zelf, die zich verplichtten een bepaald percentage mankracht daarvoor vrij te maken. Dat werden de interregionale rechercheteams (IRT's) voor met name de georganiseerde criminaliteit. Deze tak van sport zou het zelfs tot een parlementaire enquête brengen vanwege interne ruzies en ongeregelde opsporingsmethoden.

De IRT's werden omgedoopt in kernteams, die in feite landelijk werken. Daar kwam een hele serie bijzondere teams bij voor zaken als xtc, mensensmokkel en kinderporno. Maar ook als het om zoiets alledaags gaat als huiselijk geweld dan zetten de politieregio's vier ,,clusters'' op zodat ,,een landelijk samenwerkingsnetwerk'' ontstaat. Toch bleven er gaten vallen. Tussen district en regio, tussen regio's onderling en zeker ook wat betreft de afhandeling van internationale verzoeken om medewerking, zo bevestigt een waarnemer als de hoogleraar politiestudies C. van der Vijver.

Wat minstens zo belangrijk is vanuit de nooit afwezige bureaupolitieke invalshoek is dat het justitiële blok niet stil heeft gezeten. Het departement mocht dan wel het medebeheer zijn kwijtgeraakt aan de buren van Binnenlandse zaken, het voorzag het openbaar ministerie (OM) van een geduchte landelijke machtbasis en daarmee van een sterkere claim op de leiding van een nationale recherche. Er kwam een landelijk beleidscollege van procureurs-generaal onder leiding van een `super-PG' met een eigen `parket-generaal' en, wel zo belangrijk, een apart landelijk parket voor bovenregionale zaken als georganiseerde criminaliteit en terrorisme.

Straks wordt het allemaal nog mooier want dan komt er een ,,functioneel openbaar ministerie'', ook al op landelijke leest geschoeid. Deze moet de inmiddels ontstane wildgroei van bijzondere politiediensten in de greep krijgen. Organisaties als de oude Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en zijn nieuwe sociale tegenhanger SIOD zijn niet te onderschatten spelers in het politieveld. Deze diensten krijgen nu ook eigen criminele inlichtingeneenheden.

Het OM is klaar voor een landelijke recherche. Nu de politie nog. Nog in november verklaarde minister De Vries (Binnenlandse zaken) niets te voelen voor units die zich ,,loszingen'' van de rest van de politiemacht. Geen zevenentwintigste - justitieel - korps dus. En vooral niet de gevreesde tweedeling tussen een justitiële en een bestuurlijke politie.

De term FBI blijft taboe in Nederland. Maar die maat nadert snel.