Kost en Inwoning

Fort comme la mort

In het vroege voorjaar,

klappertandend van de kou,

plonst de zwemploeg, op een teken,

van de laagbegroeide bermen

in de stroom.

Weer als immer

wordt de spits genomen

door die nietig tengre man

die het lichaam van een knaap heeft

doch in 't oog een vreemde koorts.

Met een brede armzwaai zwenkend

schiet hij onder luid gejubel

verder steeds vooruit.

Stil, hardnekkig

zwoegt de zwemmer

in de koude vloed,

tot op eens zijn leven ijl wordt

en zijn blik

zich troebel in het ruim verliest.

Even in de mond

't bekende zoet gevoel,

en langs zijn lippen

glipt een golfje bloed.

Dichter komt hij bij de oever,

trager klieft zijn arm de stroom,

en hij weet

dat dit zijn laatste keer is,

doch de zege hoort hem toe.

Paul Verbruggen (1891-1966)

Bij de Vlaamse dichters Jan van Nijlen, Marnix Gijsen, Gaston Burssens, Willem Elsschot, Maurice Gilliams en zelfs bij Wies Moens kunnen we ons iets voorstellen, maar bij de naam van hun tijdgenoot Paul Verbruggen?

Hij droeg een gedicht op `Aan mijn vriend van Ostayen' en volgens de Moderne encyclopedie der wereldliteratuur moeten we hem associëren met de kring rond het expressionistische tijdschrift Ruimte. Maar hij verschilde ook van Van Ostaijen en het expressionisme. Dezelfde encyclopedie heeft het over zijn `diep beleden theocentrische levensbeschouwing' en gebruikt de woorden `deemoed' en `ascese'. Het programma van het tijdschrift Ruimte opende met de zin `dat elke geestelike aktie noodzakelikerwijze een ethische grondslag moet hebben'.

In andere literatuurgeschiedenissen wordt Paul Verbruggen in verband gebracht met `een evangelisch levensgevoel' en het zoeken `naar de zuiverste uitdrukking van een zuiver bestaan'.

De geest boven de vorm, de levensbeschouwing boven de kunst.

Na de Tweede Wereldoorlog is met deze tweedeling in de poëzie korte metten gemaakt. Het ging erom of een gedicht kwalitatief deugde, niet of de levensbeschouwing je beviel. Religie en moraal vormden niet langer de criteria voor een poëtische plaatsbepaling. Als religieuze dichter telde je mee als je een goeie dichter was en niet vanwege je mooie religie. Gerrit Achterberg ja, Jan H. de Groot nee. Bij iemand als Willem de Mérode duurde het nog een tijdje voor men inzag dat het dichterlijke vruchtvlees het won van de christelijke schil. De `ethische grondslag' werd iets uit verstofte tijden, net als de gaslantaarn en het vlugzout.

Ergens in dit proces moet Paul Verbruggen zijn zoekgeraakt. Wie hem nu leest ontdekt tot zijn verrassing een wonderlijk dichter. Niet vanwege de zuiverheid van zijn evangelisch levensgevoel, maar om de zuiverheid van zijn technische aanpak. In het proces van de poëtische ontzuiling lijkt me Paul Verbruggen typisch een voorbeeld van het kind dat met het badwater is weggegooid.

In de Moderne encyclopedie der wereldliteratuur wordt gewag gemaakt van zijn `gebrek aan pathos' en zijn parlando-toon. Die opmerking `gebrek aan pathos' werd in de tweede druk van de encyclopedie, twintig jaar later (1984), geschrapt. Waarschijnlijk was het toen al gemeengoed geworden dat je in de poëzie pathos vermeed, zelfs als het om een levensbeschouwelijk dichter ging. Toch had men in de jaren zestig gewaarschuwd kunnen zijn: hier is niet de gebruikelijke ethisch-bevlogen dichter aan het woord. Maar sommige vergeetprocessen zijn onstuitbaar.

Dat braafheid geen poëtisch criterium meer is betekent niet dat brave dichters zijn uitgestorven. Het betekent wel dat we Paul Verbruggen met andere ogen moeten lezen. Dan blijkt hij in zijn zeven dunne bundeltjes zeker tien gedichten te hebben geschreven die nog springlevend zijn, een score waar zijn beroemd gebleven tijdgenoten zich niet voor zouden hoeven te schamen.

Is Fort comme la mort niet een intrigerend gedicht? Het staat in de bundel Gedichten, in 1932 verschenen in Antwerpen. De toon is nuchter, zonder het gewild-zakelijke van veel poëzie uit de jaren dertig. De dichter vertelt een verhaal, kalm en punt voor punt. 't Is of ook het beeld één enkele vloeiende lijn vormt de plons, de spits, de brede zwaai, de verijling, het bloed, het terugzwemmen, de overwinning. Het is een beeld dat je bijblijft, de ongemonteerde reportage van een camera, we kijken mee. Onbewust identificeren we ons met de nietig tengere man

Even in de mond

't bekende zoet gevoel

een kwestie van verheviging. We zijn het luid jubelende publiek én we zijn degene in wie de dood is binnengekropen. Zo slaagt de dichter erin het slot aangrijpend te maken, omdat we het op onszelf betrekken.

Wie is die nietig tengere man

die het lichaam van een knaap heeft

doch in 't oog een vreemde koorts

en die, als altijd, de spits afbijt? De `vreemde koorts' is een stoorzender in het ogenschijnlijk zo prozaïsche verhaal. Genoeg om ons te verwarren of op een ander spoor te zetten. En wat betekent die enige onderbreking van de chronologie, wanneer de zwemploeg `op een teken' in de stroom plonst? Welk teken gaat hier aan alles vooraf?

De victorie van de nietige man is verdiend en vanzelfsprekend, de laatste regel getuigt ervan. Gaat het om de zege van een wedstrijd? Om de zege van het leven? De sleutel gaat deels in het Frans gehuld. Fort comme la mort.

Wat zouden de levensraadselen zijn zonder de raadsels van de poëzie?