De wereld is meer dan een western

De vergelijking die voormalig CIA-directeur James Woolsey zaterdag op de Opiniepagina maakte tussen de strijd tegen het terrorisme en de film High Noon, geeft aan dat de Amerikanen niet bereid zijn naar de oorzaken van de problemen te kijken. Alleen het gooien van bommen is echter niet genoeg, vindt Thomas von der Dunk.

Het leek een persiflage op James Bond, maar te vrezen valt dat het serieus was gemeend: de verdediging door voormalig CIA-directeur James Woolsey afgelopen zaterdag van de zelfverklaarde oorlog van president Bush. Het was voor de aldaar thans toonaangevende Texaanse denkwijze veelzeggend dat de helft van de tekst bestond uit de samenvatting van een speelfilm, die ons als een reële politieke parabel wordt gepresenteerd. Wie niet voor ons is, is tegen ons, en wie niet als cowboy meevecht een coward. In Washington weten sommigen de wereld klaarblijkelijk niet meer van een western te onderscheiden.

Zo'n duizend woorden telt het stuk en niet één daarvan getuigt van enig inzicht in oorzaak en gevolg. De terughoudendheid van na 11 september, die even van nieuw doorbrekend inzicht in de complexiteit van de werkelijkheid leek te getuigen, is inmiddels weer verleden tijd. Niemand zal betwisten dat Saddam Hussein een gevaar vormt, en over het dictatoriale karakter van Noord-Korea hoeft men zich ook geen illusies te maken. Alleen zijn dit constateren en dit veranderen twee geheel verschillende dingen. Ook het communistische spook dat Sovjet-Unie heette, is een tiental jaren terug niet onder het geweld van Amerikaanse oorlogstaal of de dreigende plaatsing van kruisraketten bezweken, hoezeer dat in de kringen rondom Reagan ook werd geloofd.

Het lijkt erop dat de retoriek van de laatste weken vooral moet dienen om Bush een politieke missie te verschaffen die de door de Republikeinen altijd al gewenste stijging van de defensie-uitgaven dient te legitimeren: het Rijk van het Kwaad van de laatste Hollywoodpresident heeft nu plaatsgemaakt voor de As van het Kwaad. En volkomen vergeten lijkt dat, in een iets verder verleden, Irak ook met Amerikaanse steun werd groot gemaakt: de dictator in Bagdad heeft zijn wapeninkopen jarenlang bij voorkeur bij de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad gedaan. Zoals wel vaker trekt het Witte Huis nu ten strijde tegen een Monster van Frankenstein dat het zelf in hoge mate heeft gecreëerd.

Dit zou eindelijk eens tot meer bezinning moeten leiden, zoals bij de Europeanen, maar die blijft in elk geval bij onze CIA-man uit. Welk van de dictaturen die nu door minister Rumsfeld in Azië met het oog op Al-Qaeda worden omarmd, vormt over tien jaar het volgende gevaar? De Amerikanen blijken keer op keer nauwelijks geïnteresseerd in de oorzaak van hun problemen, zoals die gedeeltelijk in eerder eigen handelen gelegen zijn. Door naar die oorzaken te kijken, kan men namelijk ook beter toekomstige problemen voorkomen.

Men schijnt er, net als de impulsieve sheriff in de door Woolsey aangeprezen western, hoofdzakelijk van uit te gaan dat met een paar bommen alle potentiële vulkanen wel weer voor even tot zwijgen te brengen zijn: die vorm van oppervlakkig en onnadenkend handelen heet dan heel mooi, onder het mom van doortastendheid, `oplossingsgericht'. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de wild om zich heen schietende cops in Amerikaanse politieseries. Duitse krimi's, waar de revolvers hebben plaatsgemaakt voor rechercheurs, zijn evenwel beter. Veel verder dan militaire actie gaat dit oplossingsgerichte optreden van Bush en de zijnen dan ook niet. In Afghanistan lijken zo vooral de andere landen nu de scherven te mogen opruimen; in de noodzakelijke politieke wederopbouw is Washington nauwelijks geïnteresseerd.

Waar de aanslagen van 11 september en de daaraan ten grondslag liggende haat in de Arabische wereld vandaan komen, welke rol de Amerikaanse politiek van de laatste decennia daarbij heeft gespeeld – die vragen verdwijnen achter Woolseys prairiehorizon uit het zicht. Het besef ontbreekt dat Amerika mede zelf zijn vijanden heeft gekweekt. Dit volslagen gebrek aan reflectie op eigen handelen hangt samen met een even groot gebrek aan inlevingsvermogen in de psyche van andere volkeren, dat de wereld regelmatig problemen bereidt.

Voor veel Amerikanen valt het belang van de wereld met het belang van Amerika samen, en liggen ook in moreel opzicht Goed en Kwaad daarmee vast. Op grond van de via het nationale zelfbeeld verinnerlijkte frontier-ervaring van de kolonisten, die met hun koeien beschaving in het Wilde Westen kwamen brengen, vormen Amerikaans en geciviliseerd voor hen een vanzelfsprekend begrippenpaar. Op grond van het feit dat de Verenigde Staten door de oprichters als een soort perfecte heilstaat van de Verlichting, met een christelijk sausje overgoten, in het leven werd geroepen, zien zij voor hun land een democratische missietaak weggelegd: de verspreiding van the American way of life.

Op grond van het feit dat de VS in hoge mate een natie van migranten vormen, door een eed op de vlag aaneengesmeed, voelen zij zich in die opvatting van superioriteit gesterkt. Op grond van het daaruit voortvloeiende multiculturele karakter en de multiraciale samenstelling van de eigen bevolking komen zij in de veronderstelling te verkeren dat hun land het beste van de wereld in zich verenigt, ja, het beste van de wereld is; dit staat waarachtig kosmopolitisme in de weg. Op grond van de wereldwijde omhelzing van Amerikaanse cultuurgoederen als jeans, jazz en Coca-Cola zijn zij geneigd te geloven dat ieder goedwillende aardbewoner in zijn hart ook mentaal Amerikaan worden wil. Waar dat niet het geval is, staat – hier helpt de Amerikaanse godvruchtigheid voor een consistent wereldbeeld een hoop – dan het Kwaad het Goede in de weg.

Deze simplistische kijk van de Woolseys vormt een belangrijke hindernis op de weg naar meer mondiale stabiliteit. In bezonnen terughoudendheid toont zich de meester, en voor een supermacht, die op grond van haar wereldwijde dominantie vanzelf veel weerstand oproept, geldt dat meer dan ooit. Rekening houden met de percepties van anderen is daarvoor een eerste vereiste, omdat de verbitterde machtelozen altijd zakmessen zullen weten te vinden om door raketschilden heen te breken. Toen in 1945 Duitsland was verslagen, hadden de Geallieerden van miljoenen doden geleerd dat een herhaling van de vernederingen van Versailles ongewenst was, teneinde nieuw revanchisme te voorkomen, en dat aan de oorzaken iets moest worden gedaan. Van dat basale benul valt nu bij Bush weinig te bespeuren. In dat opzicht lijkt de klap van 11 september duidelijk niet hard genoeg te zijn geweest.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.