Averechtse effecten

De vloedgolf aan berichten over wachtlijsten in de zorg, chaotisch onderwijsbeleid en blunders van het openbaar ministerie versluiert het feit dat de overheid ook uitmuntend presteert. Dertig jaar geleden vielen jaarlijks meer dan 3.200 doden in het verkeer te betreuren. Hoewel het wagenpark sindsdien meer dan verdubbeld is, daalde het aantal dodelijke verkeersslachtoffers tussen 1972 en 2000 met bijna tweederde. De overheid heeft dit bereikt door het plaatsen van vangrails, de aanleg van meer vierbaanswegen, strengere alcoholcontroles en het verplicht gebruik van autogordel en bromfietshelm. Als onbedoeld gevolg van al deze maatregelen nam het aantal potentiële donoren voor orgaantransplantaties drastisch af. Om het tekort aan donororganen aan te pakken krijgt elk ziekenhuis dat transplantaties uitvoert binnenkort zijn eigen donorfunctionaris. Ook komen er voorlichtingscampagnes om mensen te bewegen zich tijdens hun leven als donor te laten registreren. Dat kost allemaal geld uit het zorgbudget dat al onder zware druk staat.

De daling van het aantal donororganen is dus een averechts effect van het succesvolle verkeersveiligheidsbeleid. Een boekje dat het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs aan vrienden en relaties stuurde is helemaal gewijd aan zulke averechtse effecten. Een voorbeeld. Vroeger moesten mensen om financiële redenen kamers verhuren. Sinds het midden van de jaren zeventig is er huursubsidie. Tegelijk is de juridische positie van kamerhuurders versterkt, maar daardoor wil bijna niemand nog langer kamers verhuren. Het gevolg is schrijnende kamernood onder studenten. Om daar weer iets aan te doen kent de inkomstenbelasting imiddels een vrijstelling van 3.500 euro voor ontvangen kamerhuur, maar veel helpt dat niet, omdat particulieren die nog wel kamers verhuren dat vaak zwart doen.

Het armoedebeleid wemelt eveneens van de averechtse effecten. Mensen met een minimumuitkering krijgen doorgaans kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en hebben aanspraak op huursubsidie. Wanneer zij na het vinden van een baan bruto iets meer dan het sociaal minimum verdienen, klapt de armoedeval dicht: netto gaan zij er op achteruit. Niet alleen doordat zij nu kosten maken om te werken, zoals reiskosten, maar vooral doordat ze niet langer aanspraak kunnen maken op vrijstelling van gemeentelijke heffingen en een deel van hun huursubsidie verliezen.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wil jaarlijks gaan becijferen hoeveel duurder het leven voor ouderen is geworden. Dit voornemen krijgt eveneens voorspelbare averechtse effecten. Het roept ook twee vragen op. Valt dit plan op een betrouwbare manier uit te voeren? En is de berekening van een afzonderlijk inflatiecijfer voor ouderen wel zinvol?

Het CBS peilt de gezinsbestedingen via het Budgetonderzoek. Tot vorig jaar deden jaarlijks maximaal 2.400 mensen aan dit onderzoek mee, van wie eenvijfde 65 jaar of ouder. Het Budgetonderzoek ligt momenteel op zijn rug. Nederlanders blijken steeds minder bereid om daaraan mee te werken door een tijdlang op te schrijven aan welke goederen en diensten zij hun geld uitgeven. Totdat het Budgetonderzoek weer op de rails staat moet het CBS zich behelpen met verouderende gegevens uit 2000. Toen zijn consumptieverschillen tussen een beperkt aantal groepen huishoudens gemeten. Het bureau is vol goede moed dat in 2003 opnieuw een budgetonderzoek kan worden gehouden.

Is het erg zinvol een eigen inflatiecijfer voor ouderen te berekenen? Deze groep heeft ongetwijfeld een ander bestedingspatroon dan gezinnen met jonge kinderen. Toch zal één gemiddeld inflatiecijfer voor de gehele groep ouderen maar weinig afwijken van het gemiddelde inflatiecijfer voor andere groepen. Zaakwaarnemers van gepensioneerden hebben geestdriftig op het CBS-initiatief gereageerd. Zij opperen dat het nieuwe indexcijfer maatgevend zou kunnen worden voor de aanpassing van de pensioenen aan de inflatie. Maar het reglement van elk pensioenfonds bepaalt dat de verhoging van ingegane pensioenen afhangt van de financiële mogelijkheden van het fonds. Een eigen inflatiecijfer voor ouderen schept geen enkele verplichting voor pensioenfondsen om de lopende pensioenuitkeringen in de toekomst volledig op te hogen met ten minste het percentage van de geldontwaarding.

Een averechts effect van de CBS-plannen is dat in de toekomst alle mogelijke groepen om een eigen inflatiecijfer zullen vragen. Bijvoorbeeld uitkeringsontvangers op het platteland die denken dat zij minder vaak van stuntaanbiedingen en lage prijzen kunnen profiteren dan lotgenoten in de grote steden, maar die vergeten dat zij vaak goedkoper wonen. Afgelopen januari is het leven vooral voor jongeren duurder geworden, door grote prijsverhogingen in de horeca. Een argument om over te stappen op een eigen inflatiecijfer voor jongeren, en vervolgens het minimumjeugdloon en de studiefinanciering extra op te trekken? Zo begint een heilloze ontwikkeling, die overigens volledig tegemoet komt aan de Nederlandse zucht naar schijnrechtvaardigheid tot achter de komma. Het CBS publiceert al diverse inflatiecijfers. Dat is meer dan voldoende. Een eigen cijfer voor ouderen en bijvoorbeeld werknemers en zelfstandigen leidt slechts tot kruimelwerk rond de koopkrachtontwikkeling en roept averechtse effecten op.