Tibetaanse vrijheid race tegen de klok

De Tibetanen wensen onafhankelijkheid van China, maar hun strijd oogst weinig succes. Alternatieven zijn omstreden.

Voor een volk dat al meer dan vijf decennia streeft naar autonomie hebben de Tibetanen weinig bereikt. De greep van het communistische regime in Peking is groter dan ooit. En opmerkelijk genoeg dwingen de Chinese leiders die greep steeds minder af door middel van militaire aanwezigheid, maar via een stille evolutie; door een doelbewuste bevolkingspolitiek waarbij de Tibetanen een minderheid zijn geworden in eigen land.

Alleen Tibetanen die wanhopig genoeg zijn ontworstelen zich aan die Chinese greep. Ze trekken naar Tibetaanse gemeenschappen in India of elders. Wie achterblijft is overgeleverd aan de langzame opmars van de Han-Chinese expansie. Afgezien van de misstanden in de gevangenissen is die opmars grotendeels vreedzaam, maar de gevolgen zijn er niet minder om.

Het resultaat van die ontwikkeling is dat een toekomst voor Tibet als gebied dat niet alleen in naam autonoom is, nagenoeg afwezig lijkt. Om van politieke onafhankelijkheid nog te zwijgen. Een deel van Tibets belofte, jonge ondernemende mensen, trekt weg om ver van huis, buiten China als held binnen gehaald te worden. Maar kiezen voor een bestaan in ballingschap is een stap van onmacht. Want voor de Tibetaanse dissidenten in ballingschap geldt het zelfde als voor Chinese dissidenten buiten China: eenmaal in het buitenland en buiten bereik van een Chinees gehoor zijn de dissidenten in de optiek van communistische leiders onschadelijk geworden.

Chuye Kunsang (26) en Passang Lhamo (25) doen hun best hun verhaal van het Tibetaanse lijden en de Chinese onderdrukkingen aan de wereld duidelijk te maken. Beiden zijn boeddhistisch en non en hebben ondanks hun jonge leeftijd al jaren van gevangenschap achter de rug. Hun misdaad: het roepen van leuzen in het openbaar voor een vrij Tibet en een lang leven voor de Dalai Lama, de spirituele leider van de Tibetanen. Deze maand waren ze in Nederland.

,,We geloven dat Tibet een keer vrij zal zijn omdat het ooit vrij is geweest'', zegt Chuye. Het niet-aflatende optimisme dat zo typerend is voor veel Tibetaanse ballingen, de Dalai Lama op de eerste plaats, is even inspirerend als pijnlijk. De nonnen geloven tegen beter weten in dat het goed zal komen. Maar de Dalai Lama, realistischer dan veel van zijn volgelingen, heeft de afgelopen jaren vaker verwoord dat onafhankelijkheid los van China geen optie meer is. Al wat de Tibetanen wat hem betreft kunnen doen, is er het beste van maken en een echte autonomie afdwingen.

Het is een heet hangijzer dat Tibetanen binnen en buiten Tibet verdeelt. De bezegeling van het lot van Tibetaans Tibet of wat daar nog van over is, is een race tegen de klok. Hier en daar gaan stemmen op voor het oppakken van de wapens, maar het merendeel van de pacifistische Tibetanen is tegen.

Plannen voor hervormingen van binnen uit, zoals het streven naar economische onafhankelijkheid, zijn omstreden. De discussie over de mogelijke modernisering van het Tibetaanse boeddhisme gaat Chuye en Passang niet aan. ,,Op het boeddhisme is niets aan te merken'', zegt Chuye. Passang knikt instemmend. Maar onder Tibetanen in China die buiten de in naam autonome provincie Tibet verkeren, wordt daar wél over gepraat. In die gebieden is de Han-Chinese invloed minder destructief en heeft een enkele Tibetaanse boeddhist de kans zijn eigen religie onder de loep te nemen. Daar wordt geopperd dat de totale, haast middeleeuwse devotie van de Tibetaanse boeddhisten niet volledig ten koste mag gaan van een hogere levensstandaard waar de Tibetanen recht op hebben.

Het is een mening die dankbaar wordt misbruikt door het Chinese propaganda-apparaat om aan te tonen dat geen vorm van economische hulp aan de Tibetanen goed is besteed; Tibetanen spenderen veel geld aan religieuze doeleinden. Geen atheïstische communist die dat wenst te begrijpen.

Chuye en Passang verbeelden de Tibetaanse devotie, maar ook de haast verlammende werking die daar van uit gaat. Beiden traden als tieners toe tot hun kloostergemeenschappen buiten Lhasa. (Chuye: ,,Aan jongens en trouwen heb ik nooit gedacht'') Ze werden gesteund door hun even devote families. Op jonge leeftijd spraken beiden zich uit tegen de alles overheersende aanwezigheid van hun Chinese onderdrukkers en dat bezegelde hun lot.

De economische kwestie, over de invloed van de religie op het falen van de Tibetaanse economie, wijzen zij resoluut van de hand. Dat is, aldus Chuye, een argument dat de Chinese autoriteiten gebruiken om de religie in Tibet te onderdrukken. Dan verwijzen zowel Chuye als Passang naar spirituele argumenten, zoals het immateriële streven van het boeddhisme. Dat het merendeel van de Tibetanen ondanks hun devotie onder de armoedegrens leeft, is een kwestie die zij niet aanroeren.

Wat rest is de Europese rondreis van Chye Kunsang en Passang Lhamo en hun pleidooi voor de Tibetaanse zaak. Voor het gemiddelde gehoor van invloed dat zij onder de enkele parlementariër of ambtenaar van Buitenlandse Zaken hebben gevonden, is het verhaal van de nonnen voldoende om aandacht te beloven en beterschap te wensen. Maar ook de politici weten dat ze weinig kunnen doen.