Een film noir in dof zilverig daglicht

Joel en Ethan Coen – officieus regisseurs, producenten, scenarioschrijvers en editors van al hun werk, ook al verdelen ze de credits officieel onder elkaar – doen weer veel grappige dingen in The Man Who Wasn't There, hun negende film. Een van die dingen is dat de hoofdpersoon van de film niet veel praat, maar toch voortdurend aan het woord is. De zwijgende handelingen van Ed Crane worden begeleid door de voice-over van diezelfde Ed, die terugblikt op zijn leven. Het is een nu eens elegante, dan weer platte ironie die de film doordrenkt. Goed voor een glimlach is bijvoorbeeld dat Billy Bob Thornton, die in het echt zo kaal is dat hij meestal een petje draagt, een kapper speelt en in het bezit is van een prachtig golvende haardos. Onder de toupet is zijn gezicht een feest van lijnen en vlakken waarop de ironie verdampt. Het is een raadsel dat Thornton voor zijn rol niet voor een Oscar werd genomineerd. Wel genomineerd werd de cinematografie van Coens vaste cameraman Roger Deakins, die voor deze film voor het eerst in zwart-wit filmde, en wat voor een zwart-wit, een zwart-wit dat vaak alleen gradaties van grijs in beeld brengt, dof zilverig alsof er in zacht daglicht werd gefilmd. Zomer.

De meeste ironie van The Man Who Wasn't There cirkelt rond de film noir. Hij speelt zich af in het filmnoirjaar 1949 in een klein stadje in Californië en gaat over de kapper, zijn vrouw, haar minnaar, over afpersing, moord, schuld, over het lot en over het toeval. Volgens de Coens is The Man Who Wasn't There vooral geïnspireerd door de boeken van James M. Cain, zoals die verfilmd zijn door Billy Wilder (Double Indemnity, 1944), Michael Curtiz (Mildred Pierce, 1945) en Tay Garnett (The Postman Always Rings Twice, 1946). Het vakmanschap van de Coens steekt dat van deze regisseurs naar de kroon. De Coens hadden een gewone film noir kunnen maken. Ze deden het niet.

Op de eerste plaats maken de Coens de noirwereld nog banaler. Kapper is een nog sulliger beroep dan autoverkoper of verzekeringsagent, de beroepen van de mannen van Cain. De vrouw van de kapper, gespeeld door Frances McDormand is te oud en te dik voor een femme fatale. Femmes fatales spelen bovendien geen bingo. Interessant is ook dat niet de minnaar in deze film de hoofdrol speelt, maar de bedrogen echtgenoot. En dan is er dat camerawerk van Deakins. Hij filmt veel minder contrastrijk en donker dan doorgaans in een film noir het geval is. Veel scènes spelen zich bovendien overdag af. Alles is in het zicht. Al deze afwijkingen zorgen ervoor dat The Man Who Wasn't There niet broeierig is, zoals elke film noir. De Coens halen alle romantiek uit het genre weg. Ze stellen er niets anders voor in de plaats.

The Man Who Wasn't There is dus niet alleen een onberispelijke stijloefening, een hommage, een pastiche, hoewel het al die dingen ook is. De Coens stellen de wereld veel helderder en zinlozer voor dan de film noir, waarin passie tenminste nog een drijfveer is. Ed Crane heeft helemaal geen drijfveren. In interviews heeft Billy Bob Thornton iets losgelaten over de regieaanwijzingen van de Coens. Ze zeiden: `Speel hem als een moderne man'.

The Man Who Wasn't There. Regie: Joel Coen. Met: Billy Bob Thornton, Frances McDormand, James Gandolfini, Michael Baladucco, Tony Shalhoub, Scarlett Johansson. In 12 bioscopen.